|
Het recht kan beschouwd worden als een systeem van normen. Normen worden in de taal weergegeven in rechtsnormzinnen. Rechtsnormzinnen onderscheiden zich van gewone, beschrijvende taaluitingen doordat ze een deontische operator bevatten, bijvoorbeeld moeten of mogen. Een ander typisch kenmerk van rechtsnormzinnen is dat ze vaak negatief geformuleerd zijn: ze bepalen vaker wat niet mag dan wat mag of moet.
Juridische teksten, met name regelgevende teksten, vormen dus een interessante basis om de talige categorieën deontische modaliteit en negatie, en de interactie tussen beide, te bestuderen. Dit onderzoek wil nagaan hoe rechtsnormzinnen in het Nederlands gelexicaliseerd worden door middel van die twee categorieën.
In de logica en de linguïstiek onderscheidt men binnen de categorie deontische modaliteit traditioneel vier verschillende deontische concepten: gebod, verbod, toestemming en vrijstelling. In het recht volstaan die vier concepten echter niet. Bepaalde rechtsnormen drukken concepten uit die niet volledig passen binnen de klassieke vierdeling. In de rechtswetenschap voegt men daarom nog twee andere deontische concepten toe, namelijk competentie en recht. In het eerste, descriptieve onderdeel van het onderzoek willen we nagaan hoe die zes deontische concepten in Nederlandse regelgevende teksten gelexicaliseerd worden. Dat zal gebeuren aan de hand van een zelf samengesteld corpus bestaande uit Belgische, Vlaamse en Nederlandse regelgevende teksten. We zullen ook onderzoeken in welke gedaanten het concept negatie zoal verschijnt in wetgeving. Ten slotte zullen we onderzoeken hoe deontische modaliteit en negatie interageren. Een belangrijke vraag daarbij is wat het bereik is van het negatieve element en de deontische operator ten opzichte van elkaar.
In het tweede, normatieve gedeelte van het onderzoek, nemen we de taaladviezen over deontische modaliteit en negatie in regelgevende teksten onder de loep. Hendrickx (2003) biedt reeds een beknopt overzicht van die taaladviezen. Uit zijn onderzoek is ook gebleken dat juristen het niet altijd eens zijn met de adviezen die taalkundigen geven. In ons onderzoek zullen we aan de hand van wetgevingstechnieken uit binnen- en buitenland de taaladviezen over deontische modaliteit en negatie verder inventariseren. Bovendien zullen we via interviews met mensen die met wetgeving te maken hebben, juristen en taaladviseurs, nagaan wat hun mening is over die adviezen en hoe ze er in de praktijk mee omspringen. Daarna zullen we bekijken in hoeverre de onderzochte wetgeving overeenkomt met de adviezen. Dat alles moet leiden tot een verfijning van de bestaande taaladviezen.
|