|
Toen in 1831 de Volksraad een nieuwe grondwet voor net onafhankelijk geworden België moest opstellen, voorzag ze enkele bijzondere waarborgen voor de pers . De pers is volgens de Grondwet vrij, en geen enkele preventieve maatregel, zoals het opleggen van censuur, mag toegelaten worden. Bovendien mogen persmisdrijven en politieke misdrijven, net als misdaden, niet door beroepsrechters worden beoordeeld: enkel de jury mag zich erover uitspreken. Deze bepalingen staan als de respectieve artikels 25 en 150 in de huidige Grondwet. Toch is het opvallend dat ondanks deze grondwettelijke bepalingen er na de Tweede Wereldoorlog slechts nog één geval geweest is van een persmisdrijf dat voor de assisenjury moest komen. In mijn onderzoek wil ik de geschiedenis van de persmisdrijven beschrijven, van het verheven ideaal van 1831 tot de papieren tijger die het heden ten dage is.
In de eerste plaats moet gewezen worden op de redenen van de bijzondere waarborgen die de grondwetgever voor de pers voorzag. Alle constitutionele maatregelen houden immers rechtstreeks verband met de repressieve houding tegenover de oppositiepers ten tijde van het Verenigd Koninkrijk. Een analyse van het constitutionele persregime is dan ook onontbeerlijk, omdat deze regeling sindsdien slechts nog in beperkte mate gewijzigd is en dus grotendeels nog van kracht is. Ook de eerder beperkte perswetgeving die na 1831 uitgevaardigd is wordt uiteraard bestudeerd.
Een tweede aspect van het onderzoek betreft de historische ontwikkeling van het persmisdrijf als begrip Enerzijds betreft dit de ontwikkeling van de constitutieve elementen van het begrip persmisdrijf. De wetgever heeft immers bewust verzuimd een precieze omschrijving van het begrip persmisdrijf te geven: zo zou ze . De rechtspraak en de rechtsleer hebben echter gaandeweg enkele constitutieve elementen ontwaard: het moet gaan om (1) een mening, (2) die schuldig is, (3) die gedrukt is, en (4) die verspreid is. In het onderzoek zal gepoogd worden te verklaren hoe deze klassieke constitutieve elementen zich ontwikkeld hebben en welke precieze redenen daartoe aanleiding gegeven hebben.
Anderzijds moet onderzocht worden welke persprocessen er precies geweest zijn. In de gerechtelijke archieven wordt op zoek gegaan naar de dossiers van de verschillende persprocessen die voor de jury gekomen zijn. Uit vooronderzoek blijkt immers dat deze persprocessen niet in bepaalde categorieën kunnen ondergebracht worden (de jure), zoals laster en eerroof, pornografische teksten, Zij kwamen vaak ook voort uit een specifieke maatschappelijke context (de facto), zoals het orangisme, het antibonapartisme of het anarchisme.
Tot slot moet geanalyseerd wat de oorzaken zijn voor het de facto verdwijnen van het persmisdrijf. Daarbij moet aandacht geschonken worden aan de overweldigende succes van de alternatieve vordering op grond van de aquiliaanse aansprakelijkheid, het gegroeide wantrouwen jegens het jurysysteem en niet in het minst de algemene mentaliteitswijzigingen in de publieke opinie.
|