Toelichting bij het ontwerp

 

Ontwerp door Econnection cvba,  Tentoonstellingslaan 137, 9000 Gent  ( februari 2001)

Algemeen

Aansluitend op het gebouwencomplex van de KULAK ligt een terrein van ongeveer 10 ha, eigendom van de universiteit, dat momenteel voor het grootste deel wordt gebruikt als akkerland. Het terrein is gelegen op de noordhelling van het heuvelgebied van het Hoge te Kortrijk en bezit een reliëfverschil van ongeveer 17 m ( 47 m TAW langs de Ambassadeur Baertlaan en 30 m TAW bij het gebouwencomplex). De bodem bestaat uit vruchtbare zandleemgrond met op geringe diepte klei. Deze klei dagzoomt ten noorden van het gebouwencomplex (buiten het universiteitsdomein) en in de oostrand van het universiteitsdomein (Maandagweg). Hier treedt ook lokale kwel uit. In natte perioden zoals in 2000 is de grond ten gevolge van de geringe doorlaatbaarheid en de hellingsgraad zeer moeilijk bewerkbaar en wordt door de landbouwmachines zware bodemstructuurschade aangebracht. De hellingsgraad en het bodemgebruik (akker) veroorzaken tevens bij hevige regenval ernstige bodemerosie. In het verleden werden hiertegen reeds enkele maatregelen genomen, ondermeer door het gebied enigszins op te delen door aanplant van houtsingels evenwijdig met de hoogtelijnen, door het graven van greppels die de modderstroom opvangen en door te ploegen evenwijdig met de hoogtelijnen.

 Het ligt in de bedoeling van de universiteit om deze resterende open ruimte mee op te nemen in het domeinbeheer, te integreren en her in te richten. Deze herinrichting moet rekening houden met een aantal belangrijke aspecten, namelijk:

  • De aanleg dient te gebeuren op een ecologische en landschapshistorische basis. Hierbij worden de ecologische kwaliteiten en abiotische kenmerken maximaal benut, worden de beperkingen op dit vlak in rekening gebracht, en worden de eigen landschappelijke kenmerken en aspecten van de streek bij het ontwerp geïntegreerd. Gezien grotendeels vertrokken wordt van akkergebied zal natuurontwikkeling een belangrijke rol spelen in de heraanleg. De soortenkeuze van het plantgoed (houtige gewassen) zal zoveel mogelijk streekeigen zijn.

  •  Het terrein moet een belangrijke rol vervullen als veldlabo, in te passen en als meerwaarde in een aantal cursussen plantkunde, dierkunde en ecologie die op de faculteit worden gedoceerd. De creatie en ontwikkeling van een ruime variatie en afwisseling aan biotopen, ecologische situaties en niches en beheermaatregelen is daarom noodzakelijk.

  •  Zowel de aanleg als het onderhoud dienen budget- en arbeidsvriendelijk te zijn.

  •  Het terrein dient toegankelijk te zijn voor de studenten. Ook buitenstaanders en buurtbewoners kunnen het gebied (mits beperkingen zoals geen fietsen of honden) vrij betreden. Sport- en spelactiviteiten door jeugdbewegingen zijn niet toegestaan. De hoofdfunctie blijft wetenschappelijk proefgebied.

  •  Gezien het domein grotendeels ingesloten ligt tussen deels residentiële bebouwing, moet toch een zekere representatieve aanblik nagestreefd worden van buiten af.

Details

Bij het ontwerp werd vertrokken van een verdere compartimentering van de grote open ruimten die thans aanwezig zijn. Hierbij werd enerzijds ingespeeld op de reliëfverschillen en anderzijds op de reeds aanwezige aanplantingen. Tevens werd rekening gehouden met zichtlijnen die een panoramisch beeld geven op de omgeving. De keuze van het bodemgebruik en de beheersvorm per deelruimte worden sterk bepaald door de ligging van deze deelruimte. Dit kan zijn het reliëf, de hydrologische situatie, de bereikbaarheid met zwaardere machines in functie van het latere beheer, de omliggende gebouwen en infrastructuren. Zo liggen meer spontaan te ontwikkelen gebiedsdelen of gebiedsdelen met een uitgesproken extensief beheer verder van de gebouwen of belangrijke infrastructuren. Gebiedsdelen met meer cultuurelementen en een intensiever beheer sluiten meer aan op de gebouwencomplexen. Op deze manier wordt een geleidelijke overgang gecreëerd van cultuur naar natuur. De indeling van het gebied wordt verder gebaseerd op een losse structuur waarbij de paden geen fysische grenzen van de deelgebieden vormen, maar er dwars door lopen. Door deze losse structuur zijn de grenzen van de deelgebieden overwegend vaag en vloeien de deelgebieden in elkaar over waardoor het geheel natuurlijk oogt. Deze natuurlijkheid en de gebiedsovergangen worden verder bevorderd door in het maaischema een gradatie te steken waarbij verder van de paden gelegen delen of delen aansluitend op opgaande boom- en struikbegroeiing minder frequent of helemaal niet worden gemaaid. De uitgegraven grond voor de vijveraanleg wordt enerzijds gebruikt voor een nivellering van het akkerperceel met vorming van een talud, en anderzijds om enig bijkomend reliëf in het gebied te brengen. Bij de aanleg of het later beheer van de deelgebieden worden geen meststoffen aangewend.

 De volgende biotopen, deelgebieden en beheersmethoden worden in het gebied ingepast :

  • Vijvers en poelen met verlandingszones en moerasvegetaties :
    Afhankelijk van de diepte van de kleilaag en de toevoer van lokale kwel en oppervlaktewater blijven deze vijvers permanent nat of vallen in de zomerperiode geheel of gedeeltelijk droog. Door deze hydrologische verschillen kan zich een hele waaier aan aquatische vegetaties en hieraan gebonden dierenleven ontwikkelen met op de droogvallende delen pioniersvegetaties. Ten behoeve van waterplantenvegetaties en waterdieren blijven de waterpartijen zoveel mogelijk zon beschenen.

  •  Graslanden :
    Om snel een graslandkarakter te bekomen en tevens de erosie te beperken direct na de aanleg, kunnen de als grasland te ontwikkelen deelgebieden ingezaaid worden met een geschikt graslandmengsel, echter met een beperktere hoeveel zaad dan gewoonlijk toegepast zodat kruidenvegetaties een kans krijgen. Gezien de gronden reeds jarenlang als akker in gebruik zijn, zal de nog aanwezige zaadbank zeer beperkt zijn en vrijwel uitsluitend bestaan uit zeer algemene akkeronkruiden. Om snel een bloemrijk grasland te ontwikkelen kan geopteerd worden om grasmaaisel of hooi afkomstig van natuurgebieden uit de buurt hierop open te strooien. Inzaai van in de handel te verkrijgen zaadmengsels wordt afgeraden gezien deze veelal streekvreemde soorten bevatten. In het beheer van de graslanden kan een grote variatie gecreëerd worden door verschillen in maaifrequentie en maaidata. Deze ogenschijnlijk kleine verschillen kunnen echter grote variaties in plantengroei en insectenleven opleveren. Deze verscheidenheid wordt tevens verder bepaald door verschillen in bodem, voedselrijkdom, vochttoestand, expositie. Ook worden hierdoor minder bruuske en meer geleidelijke overgangen naar andere bodemgebruiksvormen gecreëerd. De volgende beheersvormen worden voorgesteld :
    ·         2 maal per jaar maaien in mei en augustus
    ·        
    2 maal per jaar maaien in juni en september-oktober
    ·         1 maal per jaar maaien in augustus
    ·         1 maal per jaar maaien in september-oktober
    ·         periodiek (2 of 3-jaarlijks) maaien, gefaseerd

  •  Akkers :
    Akkeronkruiden zijn een plantengroep die sinds de modernisering van de landbouw, de strenge zaadselectie en de chemische onkruidverdeling sterk in voorkomen zijn achteruit gegaan. Het betreft zowel één- als meerjarige akkeronkruiden. Ook aan akkergebieden gebonden insecten- en vogelsoorten zijn hierdoor sterk in aantal verminderd. Op deze groepen kan een soortgericht beheer gevoerd worden door bijvoorbeeld een drieslagstelsel toe te passen waarbij jaarlijks slechts een derde van het akkergebied geroteerd wordt geploegd en de overige delen blijven braak liggen. Hierdoor zal zich een één- en meerjarige kruidenvegetatie kunnen ontwikkelen die belangrijk is als voedselbron voor vele vogelsoorten. Dit ploegbeheer kan gecombineerd worden met inzaai van granen die niet worden geoogst waardoor het voedselaanbod voor zaadetende vogels sterk toeneemt. Gezien, zoals reeds vermeld, de zaadvoorraad in de bodem momenteel zeer beperkt zal zijn, kan voor de akkers geopteerd worden tot beperkte inzaai van een aantal van nature hier voorkomende, maar thans verdwenen akkeronkruiden die van nature niet of moeilijk spontaan zich in het gebied terug kunnen vestigen, zoals Gele ganzebloem, Korenbloem, Bolderik.

  •  Bos :
    De leem- en zandleemstreek is en was gekend om zijn eiken-haagbeukenbossen rijk aan voorjaarsvegetaties. De aanleg van een gemengd bosje, eventueel met inzaai van een aantal typische bosplanten van oude bossen zoals Bosanemoon, Wilde hyacint, Sneeuwklokje, om het vegetatieaspect te versnellen, is dan ook voorzien. Normaal vestigen deze soorten zich pas na vele tientallen jaren, indien er in de nabijheid nog een zaadbron aanwezig is. Het bestaande bosje in het noordoosten kan verder als open bostype evolueren. De bestaande bosjes in het zuidwesten dienen deels omgevormd te worden gezien zowel het huidige soortenassortiment, als de menging niet echt optimaal zijn. Een vleksgewijze kapping met inplant van inheemse soorten zoals Zomereik, Wintereik, Gewone es, kan uitgevoerd worden als omvormingsbeheer.

  • Talud :
    Met de grond die vrijkomt bij de uitgraving van de vijvers kunnen plaatselijke ophogingen uitgevoerd worden (ondermeer toekomstig akkerperceel) waardoor taluds of graften ontstaat die deels met struweel worden beplant. Door deze herprofilering van het reliëf ontstaat tevens een beperkte holle weg. Dergelijke graften en holle wegen herbergen een typische vegetatie en vormen een extra element in het landschap. De grootschalige landbouw heeft de meeste van deze graften die typisch waren voor de golvende leem- en zandleemstreek en eertijds veelal aangelegd werden om erosie tegen te gaan, genivelleerd. Afhankelijk van de expositie zal zich hierop een totaal andere vegetatie ontwikkelen dan op de omliggende graslanden (voornamelijk varens en andere schaduwminnende soorten op noordhellingen, schralere bloemrijkere vegetaties op zuidgerichte taluds)

  •  Hagen, houtkanten, (knot)bomen(rijen) :
    De visuele indeling van het terrein wordt in sterke mate bepaald door de verticale landschapsstructuren zoals hagen, houtkanten en bomen. Enerzijds wordt verder gewerkt vertrekkende vanuit de bestaande groenstructuren, anderzijds worden een hele reeks nieuwe groenelementen ingebracht. De soorten- en beheerskeuze worden bepaald door de bodem en de streekkenmerken. Zo kunnen diverse knotbomen aangeplant worden (eik, wilg, els, haagbeuk, es). Afsluitingen worden met levende hagen (al dan niet gecombineerd met draad) uitgevoerd, bomen worden als markeringspunten (bv. hoekbomen op perceelshoeken, bij padsplitsingen) aangeplant, en struwelen kunnen vrij uitgroeien en worden aangelegd met bloem- en besdragende soorten. Variatie in soorten en beheersvormen geeft tevens extra variatie in belevingswaarde. Deze variatie mag echter niet leiden tot chaos.

  •  Paden :
    Het padennetwerk bestaat naast het reeds aanwezige door de stad Kortrijk aangelegde asfaltpad, deels uit onverharde (in grasland) en halfverharde (gras met ondergrond in steenslag) paden. Via dit padenstelsel kunnen alle gebiedsdelen bezocht worden. In het centraal deel wordt een pad deels als holle weg aangelegd. Via gelijkvloerse bruggetjes worden de poelen overbrugd. In taluds wordt een eenvoudige trap ingewerkt. De paden dienen enkel om het merendeel van de bezoekers een zekere en gemakkelijke toegang te verlenen. Wandelen buiten de paden is toegestaan. Het gevoerde beheer van de graslanden en akkers zal automatisch hierin zoneringen creëren. De paden worden geregeld gemaaid (gazonbeheer) om de goede begaanbaarheid te garanderen en om vorming van teveel nieuwe paden te beperken.

  • Plantencollectie / arboretum
    Bij het ontwerp gaat men uit van het idee een grote variëteit van streekeigen soorten aan te planten.  Op die manier komt een soort didactisch arboretum tot stand waar men deze soorten kan leren kennen.
     

  • Groenafval :
    Ten behoeve van insecten en kleine zoogdieren kan snoeihout gebusseld en gestapeld worden tot een houtmijt. Ook hooi kan als permanente hooiopper in het gebied gestapeld worden. Jaarlijks kunnen deze mijten aangevuld worden. De hoeveelheid materiaal, het aantal stapelplaatsen en de omvang van deze stapels moeten echter beperkt blijven zodat het terrein niet als een stortterrein overkomt. Bladeren en nat maaisel kunnen bij de akkers gestapeld en in het voorjaar uitgereden en ondergeploegd worden als groenbemester. Ook hier moet de hoeveelheid beperkt blijven om eventuele geurhinder van gistend grasmaaisel te vermijden. Het beheer van de graslanden moet erop gericht zijn beheersafval te beperken door effectieve hooiwinning (eventueel mits goede afspraken uitgevoerd door derden).