|
Algemeen
Aansluitend op het gebouwencomplex van de KULAK ligt een terrein van
ongeveer 10 ha, eigendom van de universiteit, dat momenteel voor het grootste
deel wordt gebruikt als akkerland. Het terrein is gelegen op de noordhelling van
het heuvelgebied van het Hoge te Kortrijk en bezit een reliëfverschil van
ongeveer 17 m ( 47 m TAW langs de Ambassadeur Baertlaan en 30 m
TAW bij het gebouwencomplex). De bodem bestaat uit vruchtbare zandleemgrond met
op geringe diepte klei. Deze klei dagzoomt ten noorden van het gebouwencomplex
(buiten het universiteitsdomein) en in de oostrand van het universiteitsdomein
(Maandagweg). Hier treedt ook lokale kwel uit. In natte perioden zoals in 2000
is de grond ten gevolge van de geringe doorlaatbaarheid en de hellingsgraad zeer
moeilijk bewerkbaar en wordt door de landbouwmachines zware bodemstructuurschade
aangebracht. De hellingsgraad en het bodemgebruik (akker) veroorzaken tevens bij
hevige regenval ernstige bodemerosie. In het verleden werden hiertegen reeds
enkele maatregelen genomen, ondermeer door het gebied enigszins op te delen door
aanplant van houtsingels evenwijdig met de hoogtelijnen, door het graven van
greppels die de modderstroom opvangen en door te ploegen evenwijdig met de
hoogtelijnen.
Het ligt in de bedoeling van de universiteit om deze
resterende open ruimte mee op te nemen in het domeinbeheer, te integreren en her
in te richten. Deze herinrichting moet rekening houden met een aantal
belangrijke aspecten, namelijk:
-
De
aanleg dient te gebeuren op een ecologische en landschapshistorische basis.
Hierbij worden de ecologische kwaliteiten en abiotische kenmerken maximaal
benut, worden de beperkingen op dit vlak in rekening gebracht, en worden de
eigen landschappelijke kenmerken en aspecten van de streek bij het ontwerp
geïntegreerd. Gezien grotendeels vertrokken wordt van akkergebied zal
natuurontwikkeling een belangrijke rol spelen in de heraanleg. De
soortenkeuze van het plantgoed (houtige gewassen) zal zoveel mogelijk
streekeigen zijn.
-
Het
terrein moet een belangrijke rol vervullen als veldlabo, in te passen en als
meerwaarde in een aantal cursussen plantkunde, dierkunde en ecologie die op
de faculteit worden gedoceerd. De creatie en ontwikkeling van een ruime
variatie en afwisseling aan biotopen, ecologische situaties en niches en
beheermaatregelen is daarom noodzakelijk.
-
Zowel
de aanleg als het onderhoud dienen budget- en arbeidsvriendelijk te zijn.
-
Het
terrein dient toegankelijk te zijn voor de studenten. Ook buitenstaanders en
buurtbewoners kunnen het gebied (mits beperkingen zoals geen fietsen of
honden) vrij betreden. Sport- en spelactiviteiten door jeugdbewegingen zijn
niet toegestaan. De hoofdfunctie blijft wetenschappelijk proefgebied.
-
Gezien
het domein grotendeels ingesloten ligt tussen deels residentiële bebouwing,
moet toch een zekere representatieve aanblik nagestreefd worden van buiten
af.
Details
Bij
het ontwerp werd vertrokken van een verdere compartimentering van de grote open
ruimten die thans aanwezig zijn. Hierbij werd enerzijds ingespeeld op de reliëfverschillen
en anderzijds op de reeds aanwezige aanplantingen. Tevens werd rekening gehouden
met zichtlijnen die een panoramisch beeld geven op de omgeving. De keuze van het
bodemgebruik en de beheersvorm per deelruimte worden sterk bepaald door de
ligging van deze deelruimte. Dit kan zijn het reliëf, de hydrologische
situatie, de bereikbaarheid met zwaardere machines in functie van het latere
beheer, de omliggende gebouwen en infrastructuren. Zo liggen meer spontaan te
ontwikkelen gebiedsdelen of gebiedsdelen met een uitgesproken extensief beheer
verder van de gebouwen of belangrijke infrastructuren. Gebiedsdelen met meer
cultuurelementen en een intensiever beheer sluiten meer aan op de
gebouwencomplexen. Op deze manier wordt een geleidelijke overgang gecreëerd van
cultuur naar natuur. De indeling van het gebied wordt verder gebaseerd op een
losse structuur waarbij de paden geen fysische grenzen van de deelgebieden
vormen, maar er dwars door lopen. Door deze losse structuur zijn de grenzen van
de deelgebieden overwegend vaag en vloeien de deelgebieden in elkaar over
waardoor het geheel natuurlijk oogt. Deze natuurlijkheid en de gebiedsovergangen
worden verder bevorderd door in het maaischema een gradatie te steken waarbij
verder van de paden gelegen delen of delen aansluitend op opgaande boom- en
struikbegroeiing minder frequent of helemaal niet worden gemaaid. De uitgegraven
grond voor de vijveraanleg wordt enerzijds gebruikt voor een nivellering van het
akkerperceel met vorming van een talud, en anderzijds om enig bijkomend reliëf
in het gebied te brengen. Bij de aanleg of het later beheer van de deelgebieden
worden geen meststoffen aangewend.
De volgende biotopen, deelgebieden en
beheersmethoden worden in het gebied ingepast :
-
Vijvers
en poelen met verlandingszones en moerasvegetaties :
Afhankelijk van de diepte van de kleilaag en de toevoer van lokale kwel en
oppervlaktewater blijven deze vijvers permanent nat of vallen in de
zomerperiode geheel of gedeeltelijk droog. Door deze hydrologische
verschillen kan zich een hele waaier aan aquatische vegetaties en hieraan
gebonden dierenleven ontwikkelen met op de droogvallende delen
pioniersvegetaties. Ten behoeve van waterplantenvegetaties en waterdieren
blijven de waterpartijen zoveel mogelijk zon beschenen.
-
Graslanden :
Om snel een graslandkarakter te bekomen en tevens de erosie te beperken
direct na de aanleg, kunnen de als grasland te ontwikkelen deelgebieden
ingezaaid worden met een geschikt graslandmengsel, echter met een beperktere
hoeveel zaad dan gewoonlijk toegepast zodat kruidenvegetaties een kans
krijgen. Gezien de gronden reeds jarenlang als akker in gebruik zijn, zal de
nog aanwezige zaadbank zeer beperkt zijn en vrijwel uitsluitend bestaan uit
zeer algemene akkeronkruiden. Om snel een bloemrijk grasland te ontwikkelen
kan geopteerd worden om grasmaaisel of hooi afkomstig van natuurgebieden uit
de buurt hierop open te strooien. Inzaai van in de handel te verkrijgen
zaadmengsels wordt afgeraden gezien deze veelal streekvreemde soorten
bevatten. In het beheer van de graslanden kan een grote variatie gecreëerd
worden door verschillen in maaifrequentie en maaidata. Deze ogenschijnlijk
kleine verschillen kunnen echter grote variaties in plantengroei en
insectenleven opleveren. Deze verscheidenheid wordt tevens verder bepaald
door verschillen in bodem, voedselrijkdom, vochttoestand, expositie. Ook
worden hierdoor minder bruuske en meer geleidelijke overgangen naar andere
bodemgebruiksvormen gecreëerd. De volgende beheersvormen worden voorgesteld :
·
2
maal per jaar maaien in mei en augustus
·
2
maal per jaar maaien in juni en september-oktober
·
1
maal per jaar maaien in augustus
·
1
maal per jaar maaien in september-oktober
·
periodiek
(2 of 3-jaarlijks) maaien, gefaseerd
-
Akkers :
Akkeronkruiden zijn een plantengroep die sinds de
modernisering van de landbouw, de strenge zaadselectie en de chemische
onkruidverdeling sterk in voorkomen zijn achteruit gegaan. Het betreft zowel
één- als meerjarige akkeronkruiden. Ook aan akkergebieden gebonden
insecten- en vogelsoorten zijn hierdoor sterk in aantal verminderd. Op deze
groepen kan een soortgericht beheer gevoerd worden door bijvoorbeeld een
drieslagstelsel toe te passen waarbij jaarlijks slechts een derde van het
akkergebied geroteerd wordt geploegd en de overige delen blijven braak
liggen. Hierdoor zal zich een één- en meerjarige kruidenvegetatie kunnen
ontwikkelen die belangrijk is als voedselbron voor vele vogelsoorten. Dit
ploegbeheer kan gecombineerd worden met inzaai van granen die niet worden
geoogst waardoor het voedselaanbod voor zaadetende vogels sterk toeneemt.
Gezien, zoals reeds vermeld, de zaadvoorraad in de bodem momenteel zeer
beperkt zal zijn, kan voor de akkers geopteerd worden tot beperkte inzaai
van een aantal van nature hier voorkomende, maar thans verdwenen
akkeronkruiden die van nature niet of moeilijk spontaan zich in het gebied
terug kunnen vestigen, zoals Gele ganzebloem, Korenbloem, Bolderik.
-
Bos :
De leem- en zandleemstreek is en was gekend om zijn
eiken-haagbeukenbossen rijk aan voorjaarsvegetaties. De aanleg van een
gemengd bosje, eventueel met inzaai van een aantal typische bosplanten van
oude bossen zoals Bosanemoon, Wilde hyacint, Sneeuwklokje, om het
vegetatieaspect te versnellen, is dan ook voorzien. Normaal vestigen deze
soorten zich pas na vele tientallen jaren, indien er in de nabijheid nog een
zaadbron aanwezig is. Het bestaande bosje in het noordoosten kan verder als
open bostype evolueren. De bestaande bosjes in het zuidwesten dienen deels
omgevormd te worden gezien zowel het huidige soortenassortiment, als de
menging niet echt optimaal zijn. Een vleksgewijze kapping met inplant van
inheemse soorten zoals Zomereik, Wintereik, Gewone es, kan uitgevoerd worden
als omvormingsbeheer.
-
Talud :
Met de grond die vrijkomt bij de uitgraving van de
vijvers kunnen plaatselijke ophogingen uitgevoerd worden (ondermeer
toekomstig akkerperceel) waardoor taluds of graften ontstaat die deels met
struweel worden beplant. Door deze herprofilering van het reliëf ontstaat
tevens een beperkte holle weg. Dergelijke graften en holle wegen herbergen
een typische vegetatie en vormen een extra element in het landschap. De
grootschalige landbouw heeft de meeste van deze graften die typisch waren
voor de golvende leem- en zandleemstreek en eertijds veelal aangelegd werden
om erosie tegen te gaan, genivelleerd. Afhankelijk van de expositie zal zich
hierop een totaal andere vegetatie ontwikkelen dan op de omliggende
graslanden (voornamelijk varens en andere schaduwminnende soorten op
noordhellingen, schralere bloemrijkere vegetaties op zuidgerichte taluds)
-
Hagen,
houtkanten, (knot)bomen(rijen) :
De visuele indeling van het terrein wordt in sterke mate
bepaald door de verticale landschapsstructuren zoals hagen, houtkanten en
bomen. Enerzijds wordt verder gewerkt vertrekkende vanuit de bestaande
groenstructuren, anderzijds worden een hele reeks nieuwe groenelementen
ingebracht. De soorten- en beheerskeuze worden bepaald door de bodem en de
streekkenmerken. Zo kunnen diverse knotbomen aangeplant worden (eik, wilg,
els, haagbeuk, es). Afsluitingen worden met levende hagen (al dan niet
gecombineerd met draad) uitgevoerd, bomen worden als markeringspunten (bv.
hoekbomen op perceelshoeken, bij padsplitsingen) aangeplant, en struwelen
kunnen vrij uitgroeien en worden aangelegd met bloem- en besdragende
soorten. Variatie in soorten en beheersvormen geeft tevens extra variatie in
belevingswaarde. Deze variatie mag echter niet leiden tot chaos.
-
Paden :
Het padennetwerk bestaat naast het reeds aanwezige door
de stad Kortrijk aangelegde asfaltpad, deels uit onverharde (in grasland) en
halfverharde (gras met ondergrond in steenslag) paden. Via dit padenstelsel
kunnen alle gebiedsdelen bezocht worden. In het centraal deel wordt een pad
deels als holle weg aangelegd. Via gelijkvloerse bruggetjes worden de poelen
overbrugd. In taluds wordt een eenvoudige trap ingewerkt. De paden dienen
enkel om het merendeel van de bezoekers een zekere en gemakkelijke toegang
te verlenen. Wandelen buiten de paden is toegestaan. Het gevoerde beheer van
de graslanden en akkers zal automatisch hierin zoneringen creëren. De paden
worden geregeld gemaaid (gazonbeheer) om de goede begaanbaarheid te
garanderen en om vorming van teveel nieuwe paden te beperken.
-
Plantencollectie
/ arboretum
Bij
het ontwerp gaat men uit van het idee een grote variëteit van streekeigen
soorten aan te planten. Op die manier komt een soort didactisch
arboretum tot stand waar men deze soorten kan leren kennen.
-
Groenafval :
Ten behoeve van insecten en kleine zoogdieren kan
snoeihout gebusseld en gestapeld worden tot een houtmijt. Ook hooi kan als
permanente hooiopper in het gebied gestapeld worden. Jaarlijks kunnen deze
mijten aangevuld worden. De hoeveelheid materiaal, het aantal stapelplaatsen
en de omvang van deze stapels moeten echter beperkt blijven zodat het
terrein niet als een stortterrein overkomt. Bladeren en nat maaisel kunnen
bij de akkers gestapeld en in het voorjaar uitgereden en ondergeploegd
worden als groenbemester. Ook hier moet de hoeveelheid beperkt blijven om
eventuele geurhinder van gistend grasmaaisel te vermijden. Het beheer van de
graslanden moet erop gericht zijn beheersafval te beperken door effectieve
hooiwinning (eventueel mits goede afspraken uitgevoerd door derden).
|