GENT,
UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK, 3800, 10r-11r 16de eeuw
Genealogisch
raadsel.
Een harde
lasteghe vraghe daeranne dat men bekennen ende wel saude leeren rekenen
successien van hoyrrien van versteerften
Een jonckman quam
voor een chasteel gaende ende ter valbrugghen vant hii staende drie rudders wit
ghecleet. Hy ghinc voort up den wal. Daer vant hii drie rudders zwart ghecleet.
Voort ghinc hij tot in de sale daer hii vant drie rudders root ghecleet. Ende
van daer ghinc hij voort toot in de eetcamere. Daer vant hii sittende een scone
joncvrauwe die eenen ouden man // hadde ligghende in haren scoet. Doen vraechde
haer den jonghen man wye die drie rudders waren die hii wit ghecleet vant
staende ter valbrugghen.
Zoe andwoorde
: "Heere dat zijn mijn drie oems van der vaderlicker zijden." Voort
vraechde hy haer wye die drie rudders waren zwart ghecleet die hij vonden hadde
up den wal. Zo seyde : "Dat ziin mijn drie oems van der moederlicker
ziiden."
Noch vraechdy
haer wye die drie rudders waren root ghecleet die hij vonden hadde in de zale.
Zo sprack ende seyde : "Dat zijn alle drie mijn kindre. Ende dese oude man
die hier in mijnen scoet leeght es vader van hem neghenen, al van goeden
wettelicken ghetrauden bedde zonder eeneghe zibbe te scuerne." Dese jonghe
man verwonderde in de zake, vraechde haer hoe oft in wat manieren dat ditte
bycommen mochte. Zo verandwoorde ende seyde hem weder aldus : "Dat de oude
man die daer lach in haren scoet in tiiden voorleden in huwelike nam een weduwe
die bij haren eersten man hadde eenen zone. Ende bij dese weduwen hadde dese
oude man in huwelicke de voornomden drie rudders ghecleet met witten. Ende doe
overleet dese weduwe. Ende hiernaer () begreep dese oude man in huwelike een
ander weduwe die bij haren eersten man hadde een dochtere, ende daerbij hadde
dese oude man de voornomden drie rudders met zwarten. Ende dese weduwe
overleet. Doe quam der weduwen zone bii haren eersten man, ende der achterste
weduwen dochter bij haren eersten man, ende trauden deen den andren in
huwelicke, ende hadden tegader () een dochter, dat bem ic. Ende doe quam dese
oude man die dander twee weduwen gheadt hadde ende traude my. Ende ic bem ziin
derde wijf, ende by mij heeft hij de voors. drie rudders ghecleet met rooden,
ende dat ziin mijn kinderen. Aldus zo magh ic met rechten wel zegghen dat de
voornomden drie rudders ghecleet met witten ziin mijn oems van der vaderlicker
zijden, want het waren mijns vaders broeders (). Voort dat de drie rudders
metten zwarten ziin mijn oems van der moederlicker zijden, want het ziin mijre
moeder broeders. Ende dat ander drie ziin mijn kinderen root ghecleet, ende
dese oude man es vader van hem allen, alzo ghij hier hoort, al van goeden
wettelicke ghetrauden bedde zonder eeneghe maeghzibbe te scuerne ghelijc ic U
hier tevooren zeyde."
De voornomden
jonghe man moeste wel kennen dadt warachtich was. Hii dancte der joncvrauwen
dat zo hem zo dueghdelic berecht hadde ende ghinc henen zijre straten.
GENT,
UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK, 3800, 29r-31v 16de eeuw
Cartulariumkopie.
14 juni 1462
Voor de
commissarissen (deelslieden ?) aangesteld in de zaak tussen de graaf van
Saintpol (Sint-Pol), langstlevende echtgenoot, en de kinderen van de broer van
de overleden echtgenote van de graaf, erfgenamen, leggen 14 turbisten volgende
eensluidende verklaring af. 10 turbisten waaronder 2 meesters zetelen in het
leenhof van de Oudburg. Onder de resterende 4 bevindt zich nog één meester. De
uitspraak slaat op de verdeling van de lenen bij het overlijden van vader of
moeder.
1) De tweede
zoon mag één derde van het leen opeisen, mits hij aan de andere nagelaten
goederen verzaakt. De derde broer kan één derde vragen tegenover de tweede
broer, mits verzaking aan de rest van de nagelaten goederen.
2) Alle
huizen, grond en bomen binnen de valbrug of gracht, of staande op de motte,
volgen het leen.
3) De
schaduwboom, de standaard en de vaste elementen ("onroerlic") van de
molen, volgen het leen. De bomen die vanzelf wortel schieten ("hemzelven
planten") volgen het leen.
4) Is er geen
motte of omwalling, dan mag de leenhouder het beste huis kiezen, inclusief het
duifhuis en de poort. Hij behoudt dan ook de schaduwboom, vaste molenelementen
en de bomen die vanzelf wortel schieten.
5) De andere
erfgerechtigden mogen het beste huis kiezen, maar dan moet er wel een huis
staan op de motte of binnen de omwalling.
6) De overige
huizen, bomen en molenelementen worden als roerend ("catteijl")
beschouwd. De helft komt aan de langstlevende toe. De andere helft verdelen de
kinderen gelijkmatig.
7) De kinderen
die delen van het leen erven, kunnen de roerende goederen op het leen die aan
broers of zusters zijn toegevallen, afkopen. De waarde wordt berekend alsof die
goederen los op de grond liggen of geveld zijn. De bijlevinghouder moet de hem
toegevallen roerende goederen die op het leen staan, aldaar laten. De
leenhouder kan deze enkel afkopen als de bijlevinghouder instemt.
8) De oudste
broer kan de tweede, en de tweede broer kan de derde binnen één jaar steeds het
derde afkopen door hem andere goederen uit het sterfhuis te geven. Daarna kan
hij dit enkel nog als hij het aangeboden wordt. Koopt hij het derde van de
jongere niet af, dan moet hij hem één derde van het leen geven met zo min
mogelijk schade voor het leen.
9) De man
heeft een bijlevingsrecht op de onder Gent ressorterende lenen van zijn
vooroverleden echtgenote, voor zover het geen verhuwde lenen (lenen die zijn
vrouw ook al tijdens een eerste huwelijk bezat, en er zijn nog levende kinderen
uit dit eerste huwelijk op het ogenblik dat de vrouw overlijdt) zijn. Hij
krijgt dan de helft van de vruchtopbrengsten van het leen alsook het genot van
de kastelen en huizen. Hij mag dan geenszins de zich op het leen bevindende
huizen verwijderen die hem als roerend goed ("catteyl") zijn
toegevallen.
10) De jongere
broers kunnen naar keuze hun deel van de oudste in leen houden. Dan kan de
oudste die lenen niet meer erven. Ze vererven dan eventueel naar de jongere
broer of kinderen van die jongere broer. Indien ze verkiezen het derde of negende
van de opperheer in leen te houden, dan kan de oudste toch die lenen erven. De
turbisten kennen geen voorbeeld van het opeisen van een negende, dit wegens de
wanverhouding van één negende van een leen tegenover een egalitair deel in de
rest van de erfenis.
11) Gevraagd
in hoeverre zij die (een deel van) het leen krijgen, hun broers en zusters bij
huwelijk of aannemen van een geestelijke staat ("ter eeren ...
voughen") moeten compenseren, laten de turbisten de oplossing over aan de
rechters bevoegd voor het volledige sterfhuis. Het leen is daarmee in ieder
geval niet belast.
12) Een andere
vraag betreft de tijdelijke of levenslange schenking door een schoonmoeder aan
haar schoonzoon van een deel van de vruchtopbrengsten van een onder de Gentse
Oudburg. Is de schenking geldig als ze gebeurde met een vorstelijk aan het
leenhof gerichte opdracht, maar er achteraf geen formele afhandeling volgde. De
turbisten stellen dat ze geen enkel dergelijk geval kennen, noch hieromtrent
een costume kennen. Daarenboven betaamt het hen niet de vorstelijke macht te
onderzoeken. Wanneer een dergelijke schenking enkel gebeurt na kerkgeboden of
met toestemming van de naaste erfgenaam, maar zonder vorstelijk akkoord, dan is
ze ongeldig.
13) Een andere
vraag betreft in hoeverre een zoon die tevoren van zijn moeder of grootmoeder
een schenking van lenen of andere gelijk waar in Vlaanderen gelegen goederen
bekwam, deze moet inbrengen als hij zijn deel van de onder Gent ressorterende
lenen wil bekomen. De turbisten menen dat de zoon die zijn derde opeist die
schenking niet moet inbrengen. Wel kunnen de andere broers de schenking voor de
bevoegde rechtbank betwisten wanneer deze vormelijk niet juist afgehandeld
werd.
14) Een
schenking van een onder Gent ressorterend leen gebeurt met 3 (kerkgeboden ?) in
de kerk alwaar het leen gelegen is, ofwel (sic) met instemming van de volwassen
naaste erfgenaam voor het leenhof. Indien de naaste erfgenaam zich in het
buitenland bevindt of minderjarig is, krijgt hij nog één jaar en één dag na zijn
terugkeer of meerderjarigheid de tijd om de schenking te weerleggen.
Tourbe
Up den XIIIJen
van wedemaent anno XIIIJc LXIJ voor meester Jan van den Driessche, Jacop Donche
ende () als commissarissen tusschen mijnen heere den grave van Saintpol als houdere
bedeghen achter mijnder vrauwen zijnder ghezelnede an deen zijde, ende haerer
broeder kindren hoyrs van der zelver vrauwen an dandre, waren ghehoort ende
gheexamineert bij eede dese naervolghende persoonen, ende ghetuyghden ende
verifierden dat hier volght. Claeys van der Zickelen, meester Pieter Bierman,
Jan Quistebout, meester Jan van Loo, Jacop van den Putte, Lievin de Pottere,
Jan Everdey, Roegier Everwijn, Symoen Overspere, Gillis Hughe, mannen, meester
Gillis Papal, Jan van Durmel, Jan van der Scaghe, Claeys Carlier, dat naer
rechte ende costen des hoofs van den // casteele te Ghendt in allen leenen
ghehauden van den zelven casteele commende van vader ende moeder, de houdste
zone behoort thebbene de tweedeel van den leene ende de tweeste zone tderdendeel
updat hijt begheert. Dies moet de tweeste zone afgaen van allen erffelicken
goede, haven ende catteylen waer zij gheleghen zijn, verschenen int zelve
sterfhuus, ende ghelde. Mach de derde broedre legghen tderde int tderde,
afgaende tzijns tweeste broeders behouf van erflijcken goede, haven ende
catteylen als boven, ende niet voordere noch breedre en es tleen deelsaem al
waren daer oock meer zonen ende dochtren. Voort dat naer recht des voors. hoofs
den leenen van dien ghehauden volghen updatter eenighe mede es begracht met
valbrugghen ofte mote, alle de huusen, land ende boomen die binnen der zelver
valbrugghen, gracht ofte mote begrepen zijn. Volghen oock den zelven leene J
scaduboom, de standaert ende tghene dat onroerlic es van muelnen, ende alle
boomen van wat manieren zij zijn die hemzelven planten. Ende bij alzo dat up
tleen gheen huusen en waren staende up moten ofte begracht met valbrugghen, zo
zal den zelven leene volghen tbeste huus van J ghelijcker vurst, zo waer dat
staet up tleen metgaders tduufhuus ende poorte alzo zij hier bedraecht tusschen
de () in huer wijdde upwaert te ziner kuese, scaeuboomen, ander boomen die
hemzelven planten // ende onroerlic hauden muelnen ghelijck vooren verclaert
es. Ende moghen derfghenamen deelsaem int zelve leen, updat zij willen, kiesen
tvoors. beste huus, latende ander huusen die staen moghen up moten oft besloten
met grachten ende valbrugghen. Alle andre huusen, boomen ende reside van
muelnen zijn ghehauden over catteijl deelsaem naer de weerde van der plecken
daer zij gheleghen zijn, hoewel zij deposanten hauden dat dheelft toebehoort
der weduwen ende dander heelft den kindren in ghelijcker portien. Ende moghen
de kindren deel hebben int leen, lossen de catteijlen staende up tleen ende
toebehoorende hueren andren broedren ende zustren elc up zijn paert ten prijse
ende estimatie dat zij ter aerden ligghende ofte ghevelt ghepresen zouden
wesen. Maer de tochteneere moet se hauden staende up den leengront zijn
catteylen ende daervan ghenieten de prouffijten zonder te lossene, hij en
wille, zijn leven lanc gheduerende.
Dat de oudste
broedere mach den IJe broedre ende der gheeldre de IJen broedre zijnen derden
broeder recompenseren ende vernoughen ende van zijnen derden int voors. leen
met andren goeden uuten zelven boeseme ende sterfhuuse commende van ghelde
weerdden in advenante van den valuere ende weerdden des gheels leens, casteel
noch yet anders uutghesteken, ende dat binnen jare. Ende daernaer dat hijs
verzocht werdt, ende anders niet, ofte mach hem zijn derde bewijsen an eenen
cant // van den zelven leene ten meesten gherieve ende minster scade, behauden
dies dat zij in ghelde weerdden als boven.
Daer de man
overlevende zijn wijf, behoudt bijlevijnghe in alle de leenen ghehauden van den
voors. casteele daeruut zijn wijf ervachtich verstorven es updadt niet
verhuwede leenen en zijn, te wetene de gherechte heeltsceede boven alle baten
ende proffijten van den zelven leene, mids ende oock de ghebruucsamichede in
allen casteelen ende andre huusen, betalende in zijn advenant de renten, des en
mach hij niet afdoen de huusen die hem toebehooren als catteyl toebescreven,
maer moet die laten staen ende zal de grondeneere die helpen onderhouden te
heelfte.
Daer doudste
ende tweeste broedre kuere hebben tderde van hemlieden elck int zijne te doen
houdene, ende kiesen zij dat zij en zullen daerinne niet meer deelsaem zijn,
maer zal tzelve derde dalen ende toecommen den andren, toecommen den andren
kindren, ofte moghene doen houden van den hueverheere, ende dan versterft
tderde ende tderde int derde den oudsten. Maer en hebben niet gheweten dat de
derde broedere heeft verzocht tderde int tderde, dijnckende dat datte toecomt
omme de cleenicheyt dies derden ende dat zij hem bij dien hebben ghehauden an
derve ende catteyl die zij in dat cas zouden hebben moeten afgaen, nietmin
updat eenich derde broedre zijn derde verzochte men zoudt hem anwijzen.
Item
ghevraecht of de broeders deelsaem int leen in der manieren vooren verclaert,
hueren andren broeders ende zusteren niet sculdich en zijn te verschonene zo
wanneer zij willen te huwelicke ende ter // eeren hem voughen. Zegghen dat dat
staet te wijsene van den ghenen die jugen zijn des gheels sterfhuus, maer zij
deposanten en zouden tleen niet wijsen daerinne belast.
Item oft de man
eeneghe ghifte ghedaen ware bij der moedre van zijnen wive van den blade
eenichs leens ghehauden van den casteele, het ware bij termijne oft zijn leven
lanc, ende die ghifte gheconfirmeert bij den prince uut zijnder princelijcker
macht ende bij zijnen openen lettren bevelende baellui ende mannen dezelve
ghifte van weerdden te houdene sonder daerjeghen te doene releverende den
ghenen, ende den ghenen diet ghegheven es van den casteele, dat bij manijnghen
ende wijsdomme des baellius ende mannen niet ghesciet en es zulcke ghifte
sculdich es onderhauden te zijne ende te soorteerne effect. Zegghen dat zij
derghelijcke niet en hebben gheweten commende in questien noch oock en hebben
up dusdaneghe ghifte gheen costume, ende en staet noch en behoort noch en betaemt
hemlieden te disputeerne noch te onderzouckene van der macht des princen, aldus
ghedraghen zij hem bij desen int recht, maer weter gheen ratificatie of
relievement van den prince ende de ghifte niet gheschiet () alleenlic bij
kercgheboden ofte consente van den oudsten hoire, zij en zoudent niet hauden
van weerdden.
In ghebreke
oft eene grootvrauwe oft moeder eeneghe van hueren kindren die deel hebben in
de leenen als voors. es, ghegheven hadden eenich leen ghehauden van den
casteele ofte van andren hoven ofte andre goeden, heerlicheden ofte erven //
binnen Vlaendren gheleghen, de zoone wien de ghifte waer ghedaen sculdich es
dat hem ghegheven es in te brijnghene, wilt hij ende zal hij deel hebben in de
voors. leenen. Zegghen dat nietjeghenstaende zulcke ghifte ende zonder die in
te brijnghene, de zoone zal moghen heesschen ende hebben zijn derde int leen.
Wel moghen doudste zom () ende dander broedre de voornomden ghifte debateren
updat zij meenen dat se niet wel ende alst behoort ghedaen es, ende dat ten hove
daertoe commen alst betaemt naer wette ende costume des hoofs of lands daer
tpartcheel dat hem ghegheven es gheleghen es, hij zoude de ghifte behouden ende
wederomme deelen in leenen ende andre goede den sterfhuuse toebehoorende.
Zegghen soude
de ghifte in dat cas van leene weder zij gheconquesteert of patrimonie zijn
ghehauden van den voors. casteele, wesen van weerdden, zij moesten bij
kercgheboden ghedaen zijn met IIJ () der kercken daer tleen gheleghen es ofte
bij consente des oudste ende naeste hoyrs zine jaren hebbende bij manijnghen
ende wijsdomme des baellius ende mannen. Ende ware doudste hoyr buuten tslands
oft onder zijne jaren wanneer hij wederquame oft vuljaert worde, zoude goede
cause hebben dezelve ghifte te wederlegghene binnen jare ende daghe
nietjeghenstaende de wettelichede daernaer gheschiet.
GENT,
UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK, 3800, 36r-36v 16de eeuw
Cartulariumkopie.
3 februari 1460
(N.S.)
In de Klokke
Te Putte in Gent leggen 13 turbisten waaronder 3 meesters, voor twee
commissarissen van de te Ieper zetelende Raad van Vlaanderen, een gezamenlijke
verklaring af. De commissarissen zijn aangesteld in het voor de Raad hangende
proces tussen Raas van Liedekerke en Rogier van den Hecke die als procureur
optreedt van zijn vader Hubert van den Hecke. Hubert procedeert in naam van
zijn echtgenote, zijnde de zuster van Raas van Liedekerke. De turbisten stellen
dat wanneer Gentse poorters erfgenamen achterlaten, laatstgenoemden alle
goederen (lenen, "erven") mogen verdelen, en elkaar mogen compenseren
met andere goederen uit het sterfhuis. Eenmaal de overeenkomst voor de
schepenen van gedeele verleden, is er geen onterving en inerving meer nodig.
Wel moeten de feodale verplichtingen tegenover de leenheer nagekomen worden.
Tourbe
Voor Joos van
den Brande ende Ynghelram de Jonghe als commissarijsen van den rade van der
camere tYper in de zaken tusschen Raessen van Liedekercke an deen zijde, ende
Roegier van der Hecken procureur van Hubeert van den Hecke zijnen vadre ter
cause van ziere ghezelneden svoorseits Raesse zustre, waren den sondach derden
dach van sporkele int jaer XIIIJc LIX in de Clocke Te Putte in Ghendt vergadert
meester Pieter Bierman, Claeys van der Zickelen, meester Philips Sersanders,
Jan van Sycler, meester Gillis Papal, Pieter de Rijcke, meester Jan van Loo,
Jan van Huusse, Pieter Hueriblock, Lievin Zoetavins, Lauwereyns van der Eecken,
Symoen Teerlijnc ende ic Jan van Duermeleere. Ende verifierden alle
eendrachtelic dadt als poorters oft poorterssen van deser stede overlijden ende
achter hemlieden laten kindren, broedren, zustren oft andere hoirs, tzelve hoyr
mach verhoirsaten ende // verdeelen al tgoed dat zij vinden in leenen ende in
erven, ende daeraf elcandren uutgroten met goede uuten zelven sterfhuuse
commende, ende dat die hoirsatijnghe also voor scepenen boven ghedeele sculdich
zijnde te passerne ende nyeuwers el clener weesen en () bij consente van
scepenen den uppervooghden, maghen ende vrienden. Ende alzo ghepassert ziinde
daer en behoort niet meer erfnesse noch ondererfenesse toe, maer de heere moet
van den leenen ghedient zijn. Te wetene dat hij moet hebben over de toecomste
een relief, ec. En dat zij dit oynt tijts aldus ghesien hebben ende zien
daghelicx, ec.
GENT, UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK, 3800, f°41r-42r
16de eeuw
Cartulariumkopie.
21 januari 1462 (N.S.)
Voor de baljuw en leenmannen van Tielt leggen 10 turbisten waaronder 2 meesters een eensluidende verklaring af.
1) Gentse poorters mogen verdelingen van sterfhuizen maken. Ze kunnen lenen splitsen en verderden. Ze mogen lenen belasten. Eenmaal deze verdeling voor de schepenen van gedeele verleden, blijft ze van kracht. Elke persoon is daarna automatisch in de hem toegewezen goederen ingeërfd. Er is geen formele onterving en inerving noch zijn er kerkgeboden nodig. De nieuwe leenmannen moeten het relief en kamerlinggeld betalen, en de manschap nakomen. Er is geen door de vorst of zijn raad afgeleverd octrooi nodig.
2) Men heeft volgens het hofrecht voor het verderden of andere leensplitsingen die bij een erfenisverdeling gebeuren, geen vorstelijk octrooi nodig.
3) Bezit van dertig jaar levert eigendomsrecht ("proprieteyt") op. Men moet geen andere titel bewijzen.
Tourbe
Voor den baelliu ende mannen mijns gheduchts heeren shertoghen van Bourgoingnen, grave van Vlaendren, ec., van zinen hove te Thielt in de zaken tusschen meester Jan Wielant met hem ghevoucht mer Daneel van Bouchoute, rudder, ter eener zijde, ende mijnen heere van Poucke ter andere, waren up den donderdach XXJen dach van laumaent int jaer XIIIJc LXJ ghehoort ende gheexamineert bij eede dese naerghenoumde persoonen, te wetene meester Pieter Bierman, Jan van Huusse, Pieter Hueriblock, Pieter Beys, meester Jan van Loo, Jacop van den Putte, Symoen Terlijnc, Joos de Poortere, Pieter de Pottere ende ic Jan van Duermelare .. () jaren. Ende verifierden alle eendrachtelic tghuent dat hiernaer volght in dese drie eerste poynten die daer overghegheven worden in ghescrifte van mij Duermelaer int openbaer hof.
Alvooren up deerste article mentioen makende dat de stede van Ghendt was gheprevilegiert van ouden ende langhen tijden van graven ende graefneden ende dat zij oock waren in goeder paeysivel possessie te dien tijden dat van den goede bleven naer de doot van den poorter ende poortersse , zij mochten maken verhoirsatijnghe van leenen, van erven ende van catteylen, alzo wel leenen splijten bij derde ende anders ende renten maken up leenen ende bij partaige als erve ende catteylen.
Deposeren dat zij wel weten dat de stede van Ghend es gheprevilegiert van ouden ende langhen tijden van graven ende graefneden. Ende dat zij oock zijn in goeder paeysiveler possessie ende van ouden tijden gheweest hebben // dat van den goede bleven naer de doot van poorter ende poorterssen, zij moghen maken ende hebben altijts gheploghen te makene dies begheerden, verhoirsatijnghe van leenen, erven ende catteylen, alzo wel leenen splijten bij derde ende anders, ende renten bewijsen elcandren up leenen in verhoirzatijnghe ende bij partaigen als erve ende catteylen. Ende die verhoyrsatijnghe ende partaige ghepasseert voor scepenen van ghedeele hauden stede. Ende daermede es elck ervachtich van tghuent dat hem toegheleyt es in de verhoyrsatijnghe ende partage ghelijck oft hemzelven proper verstorven ware ende en behoort er niet meer ontherffenesse noch erffenessen noch kercgheboden toe. Maer de heeren moeten van den leenen wel ghedient zijn van relieve ende camerlijncghelde, ende moet de leenen ontfaen ende manscip daeraf doen zonder () meer solempniteyten daeraf te doene. Zonder oock eeneghen coop daeraf te ghevene noch octroyen daeromme te moeten haelne an mijnen gheduchten heere noch zijnen rade. Ende in deser manieren hebbent ghesien ende gheweten useren elc van den tijde dat hem ghedijnct, ende huuseert ment noch daer daghelicx, ende hebbent hueren voorders horen zegghen dat ment van ouden tijden daer oock alzo ghehoort heeft.
Item up tweeste article mentioen makende dat men naer hofrecht spleten maken mach, derden of verderden oft verhoirsaten bij versterften oft bij hoyrien zonder ottroy van mijnen gheduchten heere oft van zijnen edelen rade, broeders ende zusters zijnde. Deposeren dat dinhauden van dien hemlieden kennelic es dat ment alzo ghehauden heeft ende daghelicx () haudt.
Item up tderde article mentioen makende dat ghemeen lantrecht // es zo wie possessie hadde of besidt van XXX jaren of meer of van danen () nederwaert, dat hij sculdich es ghewijst te zijne te zijnen rechte ende possessie, ende daertoe tijtel () hebbende. Deposeren dat zo wie paeysivele possessie of besidt heeft van XXX jaren ende daerboven, dat hij daermede heeft vercreghen vulle prescriptie ende trecht van der proprieteyt, tijtle allegierende zonder eeneghen tytel te moeten prouvene, ende hebbent alzo ghesien ende gheweten huuseren naer landrecht ende ghemeen recht daer zij verkeert hebben elc van alzo langhen als hem ghedijnct, ende hebbent oock haren voorders alzo hooren zegghen.
GENT, UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK, 3800, f°42v-43r
16de eeuw
Cartulariumkopie.
1464 (O.S.)
Twee commissarissen van de Raad van Vlaanderen nemen in het huis van één van hen nabij de Gentse Sint-Janskerk, onderstaande turbe af aangaande een voor de Raad hangend geschil tussen Daniël van Bouchoute, ridder, en meester Pieter van der Goes. De 12 turbisten, waaronder 2 meesters, stellen dat men volgens de gewoonte in Gentse sterfhuizen, lenen die zich in poorterlijke sterfhuizen bevinden mag belasten. Dit is geldig ongeacht hun ligging, wanneer het gebeurt in een voor de schepenen van gedeele afgesloten akkoord ("verhoorsatijnghe") tussen de langstlevende en de erfgenamen of tussen erfgenamen. Wanneer iemand lenen en erfgoederen uit een sterhuis laat zuiveren en hij een borgstelling doet, is het niet duidelijk of de lenen van de borgsteller in de borgstelling inbegrepen zijn.
Tourbe
Dat bij puergen inneghestelt wert in leene ende in erve, ende hoe de borghen verbonden staen
Voor meester Symoen van Mourkercke commissaris principael ende Jacop Donche adioinct uuten rade mijns gheduchts heeren gheordonneert in Vlaendren doe wesende ende residerende te Ghendt, smaendaeghs XVen dach van anno LXIIIJ, ten huus van den zelven meester Symon in de Rijnghesse bij Sente Jans, in de zake tusschen mer Daneel van Bouchoute, ruddere, ende meester Pieter heere van der Goes, waren ghehoort ende gheexamineert bij eede in tourben dese naervolghende persoonen. Meester Phelips Sersanders, Pieter Beys, Pieter Hueriblock, Jan van Sycleer, Jacop van den Putte, meester Jan van Loo, Symon Terlijnc, Willem de Wintere, Joos de Poortere, Claeys Carlier, Sanders Boudins ende ic Duermelaer. Ende verifierden alle eendrachtelic up tXIIJe ende tXIIIJen artijcle van der scrifturen. Eerst dat naer de rechten ende costumen van den sterfhuuse van Ghendt men belasten mach leenen behoorende den sterfhuuse van // poorters ende poorterssen der zelver stede waer zij gheleghen zijn, ende dat in verhoorsatijnghen doende voor scepenen van ghedeele in Ghendt tusschen hauders of houderigghen ende hoire, ende hoyr jeghen hoyr. Ende anderwaerf dat de ghene die purge doet van een versterfte zo wel van leenen als van erven. Item ghevraecht of een persoon borghe worde voor thoyr die purge daerup dede ende zijnen borghen belooft te quijttene oft met diere belofte de leenen dien hoire of persoonen toebehoorende zijn gheobligiert ende gheypotiquiert in de borchtocht ende belofte. Verandworden dat zijt niet gheweten en hebben, maer mach de borghe alleene hebben actie personele ende reele up erve ende catteylen, maer niet up de proprieteyt van leenen.
GENT, UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK, 3800, f°45v-46v
16de eeuw
Cartulariumkopie.
Ca.1455
Op vraag van de Gentse schepenen van gedeele treffen enkele Gentse "ghegoedden" volgende regeling aangaande de roerende goederen nagelaten door Zeger Bollaert. Er hadden zich moeilijkheden voorgedaan tussen Jan de Stoppeleere die een actio van één van de erfgenamen had overgenomen, en Christine van Wisseghem, weduwe van de broer van Joos van der Eecken, een andere erfgename.
1) Alle opgaande bomen op lenen en erfgronden zijn als roerend goed deelbaar. Dit geldt niet voor de schaduwboom op het leen.
2) De erfgenamen mogen neutrale schatters aanstellen voor het opgaande hout. Deze schatters moeten dat hout ook in kavels verdelen. Diegene die de grond bekomt waarop die bomen staan, kan de bomen behouden, mits vergoeding.
3) Huizen zijn deelbaar, uitgezonderd het beste huis op het leen. Men schat de waarop alsof de huizen op de grond lagen. De grondeigenaar mag het huis voor de prijs behouden, of bij het einde van een eventuele pacht, laten verwijderen en verdelen.
4) Alle tronkbomen, fruitbomen en pitdragende zaken ("kernen") zijn deelbaar. Men schat de waarde alsof ze geveld zijn. De grondeigenaar mag ze voor de tegenwaarde behouden. Eventueel mag hij ze bij het einde van een pacht laten verwijderen.
5) Slaghout van bossen en hagen ouder dan 3 jaar op het ogenblik dat de erflater stierf, is deelbaar. Dit beneden de drie jaar volgt de grond.
6) Bijlevinghouders en -houdsters moeten samen met de grondeigenaars hun aandeel in die roerende goederen laten staan, zoniet moet de grondeigenaar door de bijlevinghouder gecompenseerd worden, daar hij zemf voor het tekort zal moeten instaan tegenover de pachter.
Een slot van tourben ghesloten bij den ghegoedden deser stede up den Colatiezoldre corts naer den paeys van Gavere
Item een ghenaemt Zegher Bollaert die overleet poortre deser stede van Ghend, ende overleet onghedeghen, // in wiens sterfhuus hoyrs bedeghen eeneghe van den kindren Bollaerts van Meerendre ende daerontrent.
Een ghenaemt Jan de Stoppeleere die vercreech van eenich van dien hoyrs haerlieder cause ende aexye.
Item int zelve sterfhuus zoo bedeech oock hoyr eene Christijne van Wisseghem die weduwe was van den broedre van Joose van der Eecken in de Sceltstrate bij Sente Janskercke.
Nu es waer dat tusschen den hoyrs onderlijnghe questie rees omme tverdeelen van den haveliken goede van den voornomden sterfhuuse. Ende omme dat van ghelijcken zaken niet meer questie rijsen en zoude ende danof voortan eendrachtich accoort te makene alzoo ment voort onderhauden zoude, zo waren doen vergaderen de ghegoedde van deser stede bij scepenen te commene up den Colatiezoldere, daer eendrachtelic ghesloten was te verdeelne in der manieren zo hiernaer volghen zal.
Eerst dat alle upgaende boomen, weder die stonden up den bodem van leene ofte grond van erven, zouden wesen ghedeelich uuteghesteken den scauboom up dleen staende. Voort alle manieren van plantsoenen onder de grepe, ende niet daerboven, tzij up dleen oft up de erve staende, die volghenden den gronde.
Ende de hoyrs vermueghen al het upgaende ghedeelich haut bij neutre persoonen hem dies verstaende te doen prijsene ende doen teeckene omme in cavele te stellene. Ende de grondeneere den preijs hoorende heeft dan // kuere oft hij thaut up zijnen grond staende voor den prijs behauden wille ofte datte laten weeren.
Item alle de huusen zijn ghedeelich uuteghedaen tbeste huus staende up dleen dat volght den leene. Dewelcke ghedeeleghe huusen men prijsen zal oft die ter aerden laghen. Ende de grondeneere die vermach de huusen voor den prijs te behaudene oft ten expiereerne van spachters pachte te laten verdeelene ende van den gronde te weerne.
Item alle truunckboomen, freyutbomen ende al dat kernen draeght, dat es ghedeelich. Nemaer men zalt anders niet prijsen dan oft ter aerden ghevelt ware. Ende de grondenare die vermacht voor den prijs te behoudene. Ende al consenteerdijt te laten weerne, nochtan men ne sout niet moghen weeren dan ten expereerne van spachters pachte. Want de pachtre moet ghebruucken met zijnder huerijnghe.
Item alle slachout van bosschen ende haghen dat es ghedeelich boven den drie jaren oud wesende ten daghe van den overlijdene. Nemaer al dat onder den drie jaren es, dat volght den gronde.
Ende daer houders oft hauderigghen bliven an de gronden van den hoyrs daer zij bylevijnghe an houden, die laten ghemeenlic haerlieder portie staen metten hoirs die grondeneers zijn. Want anders de grondeneere gheweert zijnde zoude willen hebben instant voor het interest van dat de pachtre derven moeste.
GENT, UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK, 3800, f°65v-67r ()
16de eeuw
Cartulariumkopie.
4 januari 1502 (N.S.)
Op verzoek van Claude Goetghebuer en Jan de Crane zoon van Klaas, echtgenoot van Adriana Goetghebuer, beiden kinderen van wijlen Josine van Leyns, leggen ten huize van Jan de Crane 9 turbisten (waaronder Martin van den Bundere) volgende verklaringen af.
1) Van alle door de ouders verworven aanwinsten (waaronder lenen) die ze bij huwelijksgift aan hun kinderen geven, moeten de kinderen bij het overlijden van vader en moeder telkens de helft inbrengen, indien ze als erfgenaam willen optreden. Dit geldt ook voor de roerende goederen.
2) Het patrimoniaal leen afkomstig van Josine van Leyns dat ze bij huwelijksgift aan haar dochter gaf, moet bij Josines overlijden volledig ingebracht worden. Eventueel kan Jan de Crane in naam van Adriana de inbreng compenseren met ander goed uit het sterfhuis.
3) Adriana Goetghebuer moet de haar bij huwelijkgift van Josine bekomen erfgoederen (onroerende niet-leengoederen) inbrengen.
4) Adriana moet de helft van de roerende goederen inbrengen die ze bij huwelijksgift kreeg.
5) Als Adriana Goetghebuer en haar echtgenoot met hun huwelijksgift buiten het sterfhuis van Josine van Leyns blijven, en wel in het sterfhuis van de laatststervende ouder willen opkomen, dan moeten ze toch alle bij huwelijksgift bekomen goederen inbrengen.
Tourbe
Up den IIIJen dach van laumaent int jaer XVc een waren versaemt ter neerenster beden van Clauden Goetghebuer // an deen zijde, ende Jan de Crane filius Claeys als in huwelicke hebbende joncvrauwe Adriane Goedghebuers an dandre, hoyrs van joncvrauwe Joozijne van Leyns haerlieden joncvrauwe moedre was ten huuse van den voornomden Jan de Crane, dese onderscrevene persoonen up zekere poynten bij den voornomden partien upghedaen.
Ende ghevraecht.
Eerst een kint thuwelicke ghehadt hebbende van vadre ende van moedre, leen, erve ende mueble goed, ende ten overlijdene van der eersten doot, tzij vadere of moedere updat de voors. gheghifte hem hoyr fondeerde int voors. sterfhuus.
Es te wetene wat inbrijnghen men ghehouden es in te brijnghene, tzij deen heelft ofte de gheele huwelickeghifte.
Daeruppe eendrachtelic verclaerden bij trouwen ende eeren bij der mont van Lievin Ghijselins, te wetene Jan van den Kethulle, Gheeraert van der Hoyen, Jan de Crane doude, Jan Damman filius Symoens, Denijs Heyman, Symon Borluut, Jan van der Eecken ende mij Martin van den Buendere, dat naer trecht van den sterfhuuse van Ghendt hem elc sculdich es te reghelene naer dese maniere.
Eerst al dat vadre ende moedre haren kindren thuwelicke gheven, tzij leen oft erve oft beede met ghemeenen goede binnen huwelicke gheconquesteert zijnde, danof zullen zij ghehauden wezen telcker doot deen heelft in te brijnghene. Ende van den leene dheelft van der werdden. Insghelijcx van den ghereeden ende mueblen goede bij vadre ende moedre thuwelicke ghegheven.
Item ghevraeght up de ghifte van leene thuwelicke ghegheven joncvrauwen Adrianen Goedghebuers met Janne de Crane // haren man, ende ghecommen van joncvrauwe Joozijne van Leyns haerlieder joncvrauwe moedere ende van diere zijden ghestruuct omme te wetene hoe men dat inbrijnghen zal.
Verclaersen dat men tvoors. leen gheel behoort in te brijnghene int sterfhuus van haerlieder joncvrauwe moedre.
Behouden dat Jan de Crane ter causen van zijnen wive die ten leene ghecommen es, zal vermoghen met andren goede van den zelven sterfhuuse begrooten Glauden Goedghebuer haren broedre. Wel verstaende dat tzelve begrooten van negheender aerghere oft mindere conditien en zij voor deghone die an tvoors. leen recht hebben zouden indien dat de proprieteyten int voors. sterfhuus ghebrocht waren, ten fijne dat elc hebbe naer recht dat hem toebehoort.
Item ghevraeght up de ghifte van der eervachticheden commende van der zijden van der voornomden joncvrauwen haerlieder moedre insghelijcx thuwelicke ghegheven joncvrauwe Adrianen Goedghebuers.
Verclaersen naerdien dat Jan Tscranen ghezelnede haer ghefondeert heeft int sterfhuus van harer joncvrauwe moedre, dat zo weder int sterfhuus brijnghen zal alle de ervachtichede die zo van dier zijden gheadt heeft.
Ende van den ghereeden ende muebelen goede zal zo inbrijnghen telcker doot deen heelft of stille staen tot dander hoyr van dien met andren goede gherecompenseert zijn.
Item ghevraecht indien Jan de Crane ende zijn wijf hemlieden gheen hoyr ghefondeert en hadden int sterfhuus van harer joncvrauwe moedre ende met der huwelicker voorwaerden uut // bleven waren, omme te wetene oft zij de doot van Daneele Goedghebuer ghebeden hadden, oft zo haer in zijn sterfhuus niet en hadden moghen hoyr fonderen zonder in te brijnghene thuwelic goed ghecommen van der zijden van harer joncvrauwe moedre. De opynie es, comt ter lester doot inne dat zij dan elcandren instant doen zullen, ghemeerct dat zij van eenen bedde zijn, nemaer men ne zal negheen () blad inbrijnghen.