Het verleiden van de
dochter van de burgemeester van Kortrijk: een staatszaak … in de 18de
eeuw
Door
J. Monballyu
1. Liefdesperikelen in de pruikentijd
Hoewel de
huidige burgemeester van de stad Kortrijk heel nauw betrokken is bij het
uitstippelen van de hedendaagse Belgische politiek, zou hij het hoogstwaarschijnlijk
nooit in zijn hoofd halen om de nationale regering in te schakelen wanneer één
van zijn dochters wil trouwen met een jongeman die volgens zijn mening niet
past in zijn familie. Iets meer dan tweehonderd jaar deed nochtans één van zijn
voorgangers dit wel toen zijn oudste dochter Marie wilde trouwen met de zoon
van een Kortrijkse schepen. In die tijd golden dan ook heel andere zeden en gewoonten.
De feiten
die aanleiding gaven tot de tussenkomst van de hoogste instanties van de
Oostenrijkse regering in de Nederlanden, waren - in onze ogen althans - banaal[1].
De 54-jarige Charles-Constantin Vanderstraeten, heer van Ten Aerden, Stavele,
Kemps enz. en burgemeester van Kortrijk[2]
moest op 8 april 1771 tot zijn schade en schande vaststellen dat hij zijn
22-jarige dochter Marie in de afgelopen jaren wat teveel alleen had gelaten met
Maximiliaan-Joseph-Jacques Pyl du Fayt. Deze 37-jarige zoon van een Kortrijkse
schepen[3]
was in 1763 door toedoen van Charles Vanderstraeten tot griffier van Kortrijk
benoemd en als dusdanig belast met allerlei stadszaken. Vanaf 1768 kwam hij die
tot grote vreugde van Marie regelmatig bespreken in het statige herenhuis van
Charles Vanderstraeten in de Rijselsestraat in Kortrijk. De jongedame had toen
wat verstrooiing nodig om haar liefdesrelatie met de zoon van de Kortrijkse
lijnwaadverkoper Laviolette te verwerken. Op aandringen van haar ouders had zij
die relatie kort voordien afgebroken[4].
Tijdens zijn vele huisbezoeken in de Rijselsestraat werd Maximiliaan door beide
ouders telkens zeer hartelijk ontvangen en meerdere keren aan hun tafel uitgenodigd.
In het bijzijn van hun dochter werd hij herhaaldelijk gevleid en opgehemeld.
Hij kreeg ook vele keren de gelegenheid om Marie alleen te spreken, iets wat de
ouders ook gedoogden tijdens de vele openbare bijeenkomsten of wandelingen die
de Kortrijkse burgerij toen organiseerde. Bij beiden ontstond de indruk dat
Marie’s ouders er helemaal niets op tegen zouden hebben als zij met elkaar
zouden trouwen. Einde 1769 stelde Maximiliaan dan ook voor dat hij Charles Vanderstraeten
zou opzoeken om de hand van zijn dochter te vragen of tenminste “haer met dit insicht te moghen
frequenteren”. Maar Marie verzette zich tegen dat voorstel en zei dat ze
daartoe de weg zelf wilde voorbereiden. Uiteindelijk, tijdens een gezellige
winteravond in de loop van de maand december 1769 maakte zij haar ouders
deelachtig aan haar genegenheid voor Maximiliaan en vroeg zij haar vader een
afspraak voor een huwelijksaanzoek door haar geliefde.
Vader
Charles, die met zijn oudste dochter veel hogere plannen had, kreeg meteen een
woedebui. Hij deelde zijn dochter botweg mede dat Maximiliaan voor haar veel te
oud en gezien zijn gering fortuin[5]
helemaal niet van haar stand was. Nooit of te nooit zou hij Maximiliaan ontvangen
om hem te spreken over een dergelijk voorstel. Meteen ontzegde hij hem radicaal
zijn huis. Zijn 50-jarige echtgenote, Marie-Madeleine-Thérèse Moerman, zuster
van de deken van het kapittel van Kortrijk, was het volledig met hem eens.
Marie deelde dit met veel tranen mede aan haar geliefde. Die overtuigde haar
ervan dat ze beiden wat geduld moesten uitoefenen. Als zij in hun liefde bleven
volharden zouden haar ouders op de duur wel toegeven. Intussen zouden ze in het
geheim met elkaar corresponderen.
Marie’s
ouders kwamen dit te weten en daarom ontbood Marie-Madeleine Moerman Maximiliaan
bij haar thuis op 8 maart 1770. Zij deelde hem mede dat haar man en zijzelf bij
hun huwelijksweigering bleven en altijd zouden blijven en vroeg hem hun dochter
voortaan gerust te laten. Maximiliaan antwoordde dat de vernederende woorden
die haar man en zijzelf over hem hadden uitgesproken hem heel veel pijn hadden
gedaan, zeker nadat beide ouders zijn relatie met hun dochter openlijk hadden
aangemoedigd. Zijn genegenheid voor Marie was intussen veel te sterk
ingeworteld om er zomaar een einde aan te maken en hij was ervan overtuigd dat
dit bij Marie ook het geval was. Niemand kon hen verhinderen om elkaar lief te
hebben. Hij beloofde wel dat hij geduld zou uitoefenen en niets zou ondernemen
wat Marie’s moeder of haar man zou mishagen. Maar hij eiste ook dat Marie’s ouders
haar niet verder zouden pesten en haar geen enkele man tegen haar wil zouden
opdringen. Marie-Madeleine Moerman beloofde dat, maar hield zich helemaal niet
aan haar woord. Aan Marie stelde ze vanaf die dag de ene na de andere huwelijkskandidaat
voor, en toen Marie die weigerde brak telkens een hoogoplopende ruzie uit
waarin de ouders dreigden om Marie te onterven of te laten “creveren” tussen vier kloostermuren. Op
een bepaald ogenblik zou Charles Vanderstraeten haar zelf een paar tikken tegen
het hoofd hebben gegeven. Marie bracht van dat alles gedetailleerd verslag uit
bij Maximiliaan en verklaarde daarbij herhaaldelijk dat zij het helemaal niet
meer zag zitten en haar gezondheid in gevaar was. Zij vroeg hem meteen om mee
te werken aan een oplossing via het gerecht. Die oplossing was des te meer
nodig toen Charles Vanderstraeten meedeelde dat hij zou verhuizen naar Gent om
daar het hoge ambt van actuaris bij de Staten van Vlaanderen op te nemen. In
maart 1771 besloten de verliefden daarom om hun huwelijk te forceren.
Als
licentiaat in de rechten was Maximiliaan Pyl goed op de hoogte van de toenmalige
huwelijkswetgeving. Voor de Kerk, die toen al eeuwen het huwelijk zelfstandig
regelde, volstond de volwaardige toestemming van de twee partijen die met
elkaar wensten te huwen[6].
De ouderlijke toestemming was volgens het toenmalige kerkelijke recht wel
gewenst, maar niet voorgeschreven op sanctie van nietigheid. Wie dus zonder de
toestemming van zijn ouders trouwde, was kerkelijk geldig gehuwd[7].
Onder druk van de aristocratie, die voor haar kinderen ten allen prijs een
financieel minderwaardig huwelijk wou vermijden, was dat laatste taboe voor de
burgerlijke overheid. Kinderen die nog niet de volle leeftijd van 25 jaar
hadden bereikt, moesten volgens de wereldlijke wetgeving de toestemming hebben
van hun ouders of voogden om te kunnen huwen en dit op sanctie van het verlies
van hun wederzijdse huwelijksvoordelen en hun erfdeel[8].
In sommige gewoonterechten, zoals het gewoonterecht van Kortrijk, was die huwelijkstoestemming
zelfs nodig voor kinderen boven de leeftijd van 25 jaar[9].
Wanneer de ouders hun toestemming weigerden, bestond er voor het kind wel
een uitweg. Volgens het gewoonterecht kon het zich wenden tot de wereldlijke of
de kerkelijke rechter[10]
van zijn woonplaats om te controleren of deze huwelijksweigering gegrond was.
Zo dit niet het geval was, kon deze rechter dan die toestemming geven in de
plaats van de ouders[11]. Een ordonnantie van 31
oktober 1739 bepaalde wel dat de rechtbanken deze plaatsvervangende toestemming
(“consent suppletief”) alleen konden
geven nadat de ouders voorafgaandelijk waren gehoord over de redenen van hun huwelijksweigering
en over het huwelijkscontract dat hun kind wou afsluiten[12].
In afwachting van een uitspraak lieten rechtbanken dikwijls het meisje opsluiten
in een klooster, waar het vrij bleef van de druk van zijn ouders[13].
Het was
deze laatste mogelijkheid die Maximiliaan Pyl voor ogen had toen hij met zijn
geliefde tot actie overging. Samen met zijn schoonfamilie uit Menen beraamde
hij een plan dat vanaf 8 april 1771 werd uitgevoerd. Op die dag werd in het
bisdom Doornik het feest van Onze-Lieve-Vrouw Boodschap gevierd en ging Marie
om zes uur in de morgen naar de mis in de Jezuïtenkerk[14]
die zich recht tegenover haar ouderlijke huis bevond. Zij werd er opgewacht
door Maximiliaan Pyl en de 58-jarige Françoise van Hamme, huisbewaarster van
Pauwel van Ruymbeke uit Menen, die haar meenamen naar een pand achter den Berg
van Barmhartigheid([15]).
Daar stond Peter-Joseph Deltour, een voerman uit Menen, klaar met een koets
waarin een mannenmantel en een mannenmuts lagen waarmee Marie zich kon vermommen.
Marie trok beide kledingstukken aan, nam kort afscheid van Maximiliaan die
teder haar hand vasthield toen ze de koets instapte, en vertrok samen met
Françoise van Hamme en een blekersknecht van Antoon van Ruymbeke via een
binnenweg naar Menen. Paul van Ruymbeke was op dat ogenblik hoogbaljuw van
Menen[16].
Zijn broer Antoon van Ruymbeke was er bleker en koopman en was getrouwd met een
zuster van Maximiliaan. In samenspraak met Maximiliaan had hij de dag voordien
in Menen een koets gehuurd en deze door voerman Deltour vanaf vier uur in de
morgen, samen met Françoise van Hamme en de blekersknecht Lodewijk Costeur naar
Kortrijk laten brengen. Laatstgenoemde kende heel goed het pand achter de Berg
van Barmhartigheid dat eigendom was van Jozef Cornille, burgemeester van
Moorsele, en door Antoon van Ruymbeke dikwijls werd gebruikt om goederen op te
slaan. De dag voordien had voerman Deltour de binnenweg van Kortrijk naar Menen
nauwkeurig verkend aan de hand van een plannetje dat Maximiliaan voor hem had
opgemaakt.
Iets voor
de Rijselsepoort in Menen troffen de twee vrouwen Antoon van Ruymbeke aan. Die
liet hen uit de koets stappen en begeleidde hen te voet naar zijn huis, waar
zij nog voor acht uur in de morgen aankwamen en wat thee dronken. Anderhalf uur
later trok Marie Vanderstraeten zich terug in het onbesloten klooster van het
hospitaal van Sint-Joris[17],
dat slechts één huis verder lag. Een klerk van Antoon van Ruymbeke meldde nog
diezelfde dag aan Maximiliaan Pyl dat de tocht goed was verlopen. Die kwam twee
dagen later (10 april 1771) zijn geliefde in Menen opzoeken. Samen nuttigden
zij een avondmaal in het huis van Antoon van Ruymbeke en bespraken zij er het
resultaat van de twee verzoekschriften die intussen namens Marie bij het
gerecht waren ingediend.
Het eerste
verzoekschrift was gericht aan de schepenbank van Kortrijk. Daarin vroeg Marie
de schepenen om na te gaan of de redenen die haar ouders opgaven om haar
huwelijk te weigeren met Maximiliaan Pyl gegrond waren, en zo dit niet het
geval was, om haar hun plaatsvervangende toestemming te geven. Zoals bepaald in
de verordening van 31 oktober 1739 moesten de schepenen daarbij wel eerst haar
ouders horen over de redenen van hun weigering en over het huwelijkscontract
dat zij met Maximiliaan wenste af te sluiten. Dit contract zou de volgende zes
punten bevatten:
1°
Gemeenschap van goederen, zowel van hun huidige als hun toekomstige goederen.
2° Wanneer
uit het huwelijk een kind werd geboren, werd die algemene gemeenschap bij de
dood van één van de echtgenoten in twee delen gesplitst: één helft voor de
langstlevende en de andere helft voor het kind of de kinderen.
3° Wanneer
er uit het huwelijk geen kinderen werden geboren, gingen de patrimoniale goederen,
dit wil zeggen de onroerende goederen die via een erfenis of schenking van één
van beider families kwamen, terug naar die familie van waar ze gekomen waren.
De aanwinsten werden bij helften verdeeld tussen de langstlevende echtgenoot en
de familie van de eerststervende, zij het na aftrek van de opbrengsten van de
verkoop van de onroerende goederen die van een bepaalde familie kwamen, welke
naar deze laatste familie moesten terugvloeien. Alle roerende goederen gingen
naar de langstlevende tot aan zijn dood. Daarna werden ze, samen met sindsdien
verworven roerende goederen en aanwinsten, bij helften verdeeld tussen de
erfgenamen van beider families.
4° De
langstlevende echtgenoot kreeg, of er nu kinderen waren of niet, een levenslang
vruchtgebruik op de patrimoniale goederen die terugkeerden naar de familie van
de eerststervende en op de helft van de aanwinsten die ook naar deze familie
gingen.
5° Zo Marie
het eerst kwam te overlijden, nog geen kinderen had en nog geen goederen had geërfd
van haar familie, kreeg Maximiliaan al haar goederen.
6° Wanneer
één van hun kinderen overleed zonder zelf descendenten te hebben, moest zijn nalatenschap
overgaan op hun andere kinderen totdat er geen meer waren. Marie en
Maximiliaan, of één van beiden, kregen in dit geval slechts een vruchtgebruik
op die nalatenschap totdat hun kinderen meerderjarig waren. Indien echter het
laatste kind zonder descendenten was overleden, kregen zij een vruchtgebruik op
alle onroerende goederen die dit laatste kind naliet en de volle eigendom van
zijn roerende goederen. Na beider dood werden die roerende goederen dan bij
helften verdeeld zoals in de hypothese dat er geen kinderen uit hun huwelijk
was geboren.
Met dit
huwelijkscontract wou Maximiliaan Pyl absoluut vermijden dat Charles
Vanderstraeten hem zou verwijten dat hij zijn dochter voor haar geld trouwde.
De voorgestelde regeling was immers voor hem veel slechter dan wanneer de echtgenoten
de gehomologeerde costumen van de stad en de kasselrij
Kortrijk (1557)
volgden. Die voorzagen in een algemene gemeenschap
van goederen die bij overlijden van één van de echtgenoten in twee gelijke
helften werd verdeeld en dit zowel wanneer er kinderen waren of niet. Bij
overlijden van een kind dat zelf geen descendenten naliet, kregen zijn ouders
of de langstlevende van hen al zijn roerende goederen en gingen zijn onroerende
goederen naar zijn broers of zusters[18].
Behoudens een plaatsvervangende huwelijkstoestemming
vroeg Marie Vanderstraeten de Kortrijkse schepenen ook om haar in hun
bescherming (“sauvegarde”) te nemen.
Op sanctie van een geldboete of een andere arbitraire straf werd hierdoor aan
iedereen verboden om haar uit het klooster te halen waar zij zich had teruggetrokken
of zich later zou terugtrekken. Op deze wijze wou Marie verhinderen dat haar
vader haar met geweld uit het klooster zou halen. Albert
van Marcke, notaris en procureur van de stad en de kasselrij Kortrijk, diende Marie’s verzoekschrift
in bij de Kortrijkse schepenbank op 9 april 1771, één dag na haar vlucht uit
Kortrijk. In afwezigheid van de burgemeester van Kortrijk, die toen al naar
Brussel was[19],
verleenden de Kortrijkse schepenen nog diezelfde dag de gevraagde rechterlijke
bescherming. Voor hun oordeel over de huwelijkstoestemming en het huwelijkscontract
zetten zij de zaak op drie weken[20].
De volgende
dag diende procureur Paul-Frans Barbieux een tweede verzoekschrift in bij de
kerkelijke rechtbank in Doornik. Aan de pastoor van de Sint-Maartenskerk in
Kortrijk moest die het bevel geven om het huwelijk tussen Marie en Maximiliaan
af te kondigen en af te sluiten. De pastoor zou dit eerder geweigerd hebben
omwille van een zogezegd kerkelijk beletsel[21].
Erasmus Hoverlant, officiaal van Doornik, die een aangetrouwde verwant was van
Marie’s moeder en de relaties van Charles Vanderstraeten met de regering in
Brussel heel goed kende en … vreesde, weigerde om onmiddellijk op het
verzoekschrift in te gaan. Zoals het kerkelijke recht toen voorschreef wenste
hij hierover eerst te bemiddelen bij haar ouders[22].
Maar om dit te kunnen doen moest hij de plaats kennen waar Marie op dat
ogenblik verbleef. Maximiliaan, die bij het indienen van het verzoekschrift
aanwezig was, deelde ze hem noodgedwongen mede.
Een Kortrijkse burgemeester laat niet met zich
sollen
Intussen
was Charles Vanderstraeten niet stil blijven zitten. Toen zijn dochter Marie op
8 april 1771 om acht uur in de morgen nog niet terug was van de mis in de
Jezuïtenkerk, zond hij haar een bediende die haar moest aanmanen om zo vlug
mogelijk naar huis te komen. De bediende vond haar niet meer in de kerk en
meldde hem dat onmiddellijk. Kort daarna bracht de rector van de Jezuïeten hem
een briefje dat een onbekende persoon die morgen aan Marie’s biechtvader had
afgeleverd. Hierin schreef Marie dat zij het ouderlijke huis had verlaten om
met Maximiliaan Pyl te trouwen en dat zij zich in afwachting had teruggetrokken
in het klooster van de Heilige Geest in Doornik.
De dag
nadien vertrok vader Charles al naar Brussel waar hij erin slaagde om een
verzoekschrift in te dienen bij Karel van Lorreinen, die op dat ogenblik
gouverneur-generaal van de Oostenrijkse Nederlanden was en samen met de
Gevolmachtigde Minister Prins Georg-Adam von Starhemberg de regering vormde in
Brussel. Met verwijzing naar het standaardwerk van Franciscus Maria Muscettola,
aartsbisschop van Rossano, over het huwelijk[23],
wees Charles Vanderstraeten[24]
er op dat de ouderlijke macht heel sterk verankerd zat in het natuurrecht, het
goddelijke recht en het positieve recht en het bij alle volkeren een
verschrikkelijke misdaad was dat een kind huwde zonder de toestemming van
diegenen die het op de wereld hadden gezet. Bijgevolg vroeg hij de regering hem
te machtigen om zijn minderjarige dochter Marie persoonlijk uit gelijk wel
klooster of gelijk welke andere schuilplaats te halen en haar in om het even
welk ander klooster in de Oostenrijkse Nederlanden op te sluiten met verbod om
met wie dan ook contact te hebben buiten hem zelf en diegenen aan wie hij dit
had toegestaan. Daarnaast moest de regering elke procedure tot een
plaatsvervangende huwelijkstoestemming voor de officialiteit van Doornik of
voor de schepenbank van Kortrijk opschorten.
De
regering, die in die tijd zeer gunstig stond tegenover dergelijke aanvragen,
willigde het verzoekschrift in op 11 april 1771. Charles Vanderstraeten mocht
zijn dochter Marie in gelijk welke schuilplaats oppakken en in om het even welk
klooster in de Oostenrijkse Nederlanden opsluiten. Elke procedure tot een
aanvullende huwelijkstoestemming bij de schepenbank van Kortrijk of de officialiteit
van Doornik werd opgeschort. Beide rechtbanken moesten de regering in Brussel
zo vlug mogelijk van advies dienen in deze zaak[25].
Jan-Frans-Albert de Causmaecker, advocaat-fiscaal bij de Raad van Vlaanderen[26],
kreeg de opdracht om Marie’s vertrek uit haar ouderlijke huis en de omstandigheden
waarmee dat gepaard ging, nauwkeurig te onderzoeken.
Gewapend
met dit regeringbesluit keerde Charles Vanderstraeten op 12 april 1771 terug
naar Kortrijk, van waaruit hij op 13 april 1771 naar Doornik trok om er zijn
dochter uit het Heilige Geest klooster te halen. Daar kon officiaal Hoverlant
hem alleen meedelen dat er in Doornik geen Heilige Geest klooster bestond en
dat zijn dochter verbleef in het klooster van het Sint-Jorishospitaal in Menen.
Ontgoocheld keerde Charles terug naar Kortrijk, van waaruit hij bij de regering
een nieuw verzoekschrift indiende, dit keer om een decreet te krijgen waarin
advocaat-fiscaal de Causmaecker en alle andere mogelijke gerechtsofficieren het
bevel kregen om hem bij te staan in het opsporen, oppakken en sekwestreren van
zijn dochter in een klooster dat hij zelf koos. De regering stond hem dit toe
op 15 april 1771 na een positief advies van de Geheime Raad. Die vond het bevelschrift meer dan verantwoord omdat:“Le maintien de la puissance
paternelle tient essentiellement à l’ordre et au bonheur de la société, et
mérite dans tous les cas où des enfants indociles et aveugles veuillent la
mépriser et la franchir, toute la protection du Gouvernement”.
Via een
waarschuwingsbrief van de officiaal van Doornik aan de priorin van het klooster
van het Sint-Jorishospitaal in Menen[27],
was Marie intussen op de hoogte van het bevelschrift dat haar vader in Brussel
had verkregen. IJlings overlegde zij met Antoon van Ruymbeke over een nieuwe
schuilplaats, liefst in Frankrijk waar de bevelen van de Brusselse regering
niet van kracht waren. Op aanraden van Pieter Vermeersch, klerk van Antoon van
Ruymbeke die een zuster had in het hospitaalklooster van Tourcoing, koos Marie
voor dat laatste klooster, dat net over de Franse grens lag. Antoon van
Ruymbeke zorgde voor het nodige vervoer. Marie kon meereizen met zijn 45-jarige
zuster Julie van Ruymbeke, echtgenote van Lieven Hovijn, ook handelaar en
bleker in Menen. Die zou op 14 april 1771 met een koets naar Rijsel rijden en
was bereid was een omweg te maken. De 25-jarige Marie de Gheselle, dochter van
Marie de Parc, huishoudster van Antoon van Ruymbeke, zou als kamermeid meereizen.
De koets
vertrok op zaterdag 14 april 1771 om drie uur in de namiddag. Pas aangezet,
dacht Marie eraan dat zij onderweg wel eens haar vader kon ontmoeten. Zij liet
de koets daarom zo vlug mogelijk rijden naar Mouvaux, een klein dorpje op Frans
grondgebied, waar de paarden een tijdje werden uitgespannen in de nabijheid van
een herberg. Tijdens die rustpauze stak Marie het plotseling in haar hoofd dat
de nonnen van Tourcoing onder de jurisdictie vielen van de officiaal van
Doornik en hierdoor wel zouden kunnen bereid zijn om haar uit te leveren.
Meteen wilde ze niet meer naar Tourcoing reizen. Er werd besloten dat Lieven
Hovijn, de zoon van Julie van Ruymbeke die de koets mende, terug zou rijden
naar Menen om aan zijn oom Antoon advies te vragen. De vrouwen zouden intussen
de avond verder doorbrengen in de herberg in Mouvaux.
In Menen
verwittigde Lieven Hovijn zo vlug mogelijk Antoon van Ruymbeke, die op zijn
beurt Maximiliaan Pyl in Kortrijk van het voorval op de hoogte bracht.
Laatstgenoemde haastte zich de volgende dag (15 april 1771) naar Menen om van
daar, samen met Antoon van Ruymbeke en zijn klerk Pieter Vermeersch, naar het
hospitaalklooster van Tourcoing te gaan. Daar waren intussen ook de vrouwen
aangekomen met een koets die Antoon vanuit Menen naar Mouvaux had gezonden. Samen
met de nonnen nuttigden zij het middagmaal en overlegden zij wat er Marie dan
te doen stond. Maximiliaan overtuigde Marie ervan om ook zelf een
verzoekschrift in te dienen bij de regering in Brussel. Hierin vroeg zij hem de
Kortrijkse schepenbank bevoegd te verklaren voor haar verzoek tot een
plaatsvervangende huwelijkstoestemming en haar intussen op te sluiten in een
Kortrijkse klooster waar zij haar verdediging kon voorbereiden[28].
In
Tourcoing namen Maximiliaan en Marie intussen teder van elkaar afscheid. Galant
reikte hij haar opnieuw de hand toen ze de koets instapte en naar Rijsel
reisde, waar ze asiel kreeg bij Marie Musselier, echtgenote van Pierre Rivière,
intendant van de plaatselijke Berg van Barmhartigheid, en een goede vriendin
van Julie van Ruymbeke. Marie verbleef er tien dagen zonder dat de buren dit opmerkten.
Op 25 april 1771 kreeg ze van Maximiliaan een brief waarin hij haar meedeelde
dat haar vader haar schuilplaats had ontdekt en van plan was om haar daar op te
pakken met de hulp van het plaatselijke gerecht. In paniek stapte Marie nog
diezelfde dag in een koets die haar naar Steenwerk bracht, waar ze een verblijf
vond bij een broer van de heer Rivière die er koninklijk ontvanger was. Maar
ook daar was ze niet veilig. Op 5 mei 1771 werd ze er onverwachts opgepakt door
een oom aan moederszijde die proost van Ronse was en die de hulp had ingeroepen
van de plaatselijke baljuw en vier leden van de marechaussee van Belle. Samen
brachten ze Marie op 6 mei 1774 naar het Sionklooster in Doornik, waar ze
alleen nog contact had met haar vader en de personen die hij een toelating had
gegeven om met haar communiceren. Tot deze laatste categorie behoorde uiteraard
niet Maximiliaan Pyl.
Een crimineel strafproces voor de Raad van
Vlaanderen
Charles
Vanderstraeten had zijn dochter terug na 27 dagen en kon zich meteen
concentreren op zijn nieuwe baan als actuaris bij de Staten van Vlaanderen.
Voor Maximiliaan Pyl en de familieleden die hem hadden bijgestaan begon dan pas
een echte lijdensweg die hen veel zorgen baarde en veel geld kostte. Allen
kregen ze een crimineel strafproces aan hun been bij de Raad van Vlaanderen in
Gent.
De
voorbereidingen voor dit strafproces begonnen al op 11 april 1771. Advocaat-fiscaal
de Causmaecker[29] kreeg
die dag uit Brussel de opdracht om zoveel mogelijk informatie in te winnen over
het vertrek van Marie Vanderstraeten en de omstandigheden waarin dat gebeurde.
Van dit
bevel, dat naderhand werd herhaald op 15 april 1771, nam de Causmaecker eerst
kennis op 22 april 1771. Hij startte vrijwel onmiddellijk zijn onderzoek dat
hij in de terminologie van die tijd “informatien
preparatoire” noemde. In de herberg ‘Den Roden Hoed’ in Menen verhoorde hij
op 25 en 26 april 1771 achtereenvolgens Pieter Vermeersch, klerk van Antoon van
Ruymbeke, Marie-Françoise du Parc, huishoudster van Antoon van Ruymbeke,
Catherine Messelier, kindermeisje van Antoon van Ruymbeke, Franse van Hamme,
huishoudster van Paul van Ruymbeke, en Julie van Ruymbeke, echtgenote van
Lieven Hovijn en zuster van Antoon van Ruymbeke. Allen deden zij hem uit de
doeken wat er precies gebeurd was tussen 8 en 15 april 1771. Hetzelfde gebeurde
vier dagen later in Gent met Peter-Joseph Deltour, de voerman die Antoon van
Ruymbeke had ingehuurd. Die vertelde de Causmaecker veel details over de reis
op 25 april 1771 tussen Rijsel en Steenwerk die hij als koetsier had
meegemaakt.
Maximiliaan
Pyl was al vrij vroeg op de hoogte van het gerechtelijk onderzoek. Op 25 april
1771 schreef hij daarom een brief aan de Causmaecker waarin hij hem vroeg om
niet alleen getuigen “à charge” maar
ook “à décharge” te verhoren. Meer
specifiek wenste hij dat het huispersoneel van de familie Vanderstraeten zou
ondervraagd worden over de redenen waarom Marie Vanderstraeten het ouderlijke
huis had verlaten. De Causmaecker ging hierop in en ondervroeg op 1 en 3 mei
1773, tot groot ongenoegen van Charles Vanderstraeten, het keukenmeisje, twee
knechten, een ex-kindermeisje, een kamermeid en twee kokkinnen van Charles
Vanderstraeten, een keukenmeisje en een kamermeid van Juffrouw Vanderstraeten,
geestelijke dochter in Kortrijk en tante van Marie aan vaderszijde, en een
knecht en de kokkin van kanunnik Moerman, deken van het kapittel van Kortrijk
en oom aan moederzijde van Marie. Veel bracht dit niet op. Uit vrees voor hun
betrekking verklaarden al deze personeelsleden alleen dat zij ervan op de
hoogte waren dat Marie’s ouders niet gediend waren met Maximiliaan’s huwelijksaanzoek.
Van verwijten of slagen aan het adres van Marie Vanderstraeten hadden zij geen
enkele weet. Charles Vanderstraeten had ze vooraf goed de les gespeld[30].
Van zijn
kant deed Maximiliaan nu heel wat inspanningen om de zaak te minimaliseren. In
een brief van 27 april 1771 aan de Causmaecker zette hij uiteen wat er precies
gebeurd was van 8 tot 14 april 1771. Hij legde daarbij hij heel sterk de nadruk
op het feit dat Marie in alle vrijheid zelf had beslist om het ouderlijke huis
te verlaten en later naar Frankrijk te trekken. Zij zou dit alles hebben gedaan
omdat ze absoluut niet wou meemaken wat drie tantes en een oom aan vaderzijde
was overkomen. Alle vier werden die verplicht om te trouwen met iemand die zij
niet lief hadden; alle vier raakten ze hierdoor gefrustreerd en stierven ze in
de grootste neerslachtigheid. Op 2 mei 1771 vulde Maximiliaan zijn brief van 27
april 1771 aan met een beknopt juridisch betoog over het misbruik van de ouderlijke
macht bij het weigeren van het huwelijk van een kind en het recht van dat kind
om een plaatsvervangende toestemming te vragen bij de wereldlijke of kerkelijke
rechter[31].
Zijn bedoeling was duidelijk: bij de Causmaecker, en via hem bij de regering in
Brussel, wou hij het vermoeden ontkrachten dat hij Marie Vanderstraeten had
geschaakt.
De
Causmaecker nam kennis van deze twee brieven en stelde op 5 mei 1771 een nota
op voor de regering in Brussel. Volgens zijn bescheiden mening was er sprake
van een vrijwillige schaking (“rapt
volontaire”) met de volgende zes verzwarende omstandigheden:
1° Marie
Vanderstraeten was uit haar ouderlijk huis vertrokken zonder de toelating van
een wereldlijke of een kerkelijke rechter.
2° De
schepenen van Kortrijk hadden op 9 april 1771 een vonnis geveld op grond van
een verzoekschrift dat een procureur bij hen had ingediend zonder dat die
daarvoor de nodige volmacht had getoond en zonder dat daarin vermeld stond waar
de verzoekster zich op dat ogenblik bevond. Hierdoor kon de verzoekster zich
vrij verplaatsen, wat ze ook deed, en dat hield op zijn minst een grove
onvoorzichtigheid in van de Kortrijkse magistraat.
3°
Maximiliaan Pyl en zijn familie hadden Marie Vanderstraeten niet alleen voor
haar ouders, maar ook voor de regering in Brussel verborgen gehouden.
4°
Maximiliaan Pyl en zijn familie hadden Marie Vanderstraeten bestendig in hun
macht gehouden. Met uitzondering van de vijf dagen in het hospitaalklooster van
Sint-Joris, bleef Marie Vanderstraeten steeds in particuliere huizen. Zelfs in
het hospitaalklooster van Sint-Joris was ze gehuisvest zoals in een privé-huis
van de familie Pyl want ze kon er vrij in en uit lopen naar het huis van Antoon
van Ruymbeke en stond er met diens huisgenoten voortdurend in contact. De
overste van het hospitaalklooster van Sint-Joris was daardoor medeplichtig aan
de vrijwillige schaking.
5° Pyl en
zijn familieleden hadden ervoor gezorgd dat Marie Vanderstraeten naar het buitenland
kon vertrekken en dit niettegenstaande zij ervan op de hoogte waren dat haar
vader in Brussel een bevelschrift had bekomen om haar op het even welke plaats
op te pakken. Marie Vanderstraeten verbleef er in particuliere huizen en onder
het toezicht van personen die onwaardig waren voor een meisje van haar
leeftijd.
6° Pyl en
zijn familie hadden tenslotte voordurend geweigerd om haar schuilplaats bekend
te maken aan haar ouders of aan de rechter van haar woonplaats.
Maximiliaan
Pyl verdedigde zich volgens de Causmaecker heel slecht. Hij wierp op dat Marie
Vanderstraeten veel last had van een slechte behandeling van haar ouders, maar
van een dergelijke slechte behandeling was er tijdens zijn onderzoek helemaal
niets gebleken, en zelfs al zou dit het geval zijn geweest, dan nog was de
schaking van Marie Vanderstraeten daarmee helemaal niet in verhouding. Pyl kon
zijn gedrag ten tweede ook niet verantwoorden door te beweren dat hij bang was
voor het bevelschrift dat Charles Vanderstraeten in Brussel had verkregen, want
dit was een bevelschrift dat uitging van de wettige overheid en waaraan hij zich
bijgevolg zonder meer moest onderwerpen. En tenslotte had Pyl als openbaar
ambtenaar een heel slechte voorbeeld gegeven aan het grote publiek. Indien hij in zijn opzet slaagde, zouden in de toekomst vele familievaders
gedwongen worden om een onredelijk huwelijk toe te staan aan hun kinderen “lesquels presque toujours faciles
à séduire par l’inexpérience générale à cet âge, et aveuglé par une passion qui
étouffe la réflexion, ne tardent pas de plaindre leur sort en même temps qu’ils
jettent pour toujours le trouble, la douleur et l’amertume dans le cœur de
leurs parents”.
De
conclusie van de Causmaecker was dan ook dat de regering in Brussel het
Openbaar Ministerie bij de Raad van Vlaanderen[32]
de opdracht moest geven om Maximiliaan Pyl en zijn handlangers te vervolgen
voor een vrijwillige schaking (“rapt
volontaire”). Deze schaking was niet strafbaar met de dood - zoals dat wel
het geval was voor de schaking met geweld (“rapt
de violence”) - maar wel met een door de rechters arbitrair te bepalen
straf die rekening hield met de omstandigheden waarin dit misdrijf werd gepleegd.
Terzelfder tijd kon Charles Vanderstraeten zich burgerlijke partij stellen en
een passende schadevergoeding vorderen.
De regering
in Brussel maakte dit advies voor commentaar over aan de Geheime Raad, waarvan
Patrice-François de Nény de voorzitter was. Deze bekende voorstander van het
invoeren bij wet van de ouderlijke toestemming als een nietigmakend beletsel
bij de huwelijken van minderjarigen[33],
vertrouwde de voorbereiding van die commentaar toe aan zijn schoonzoon Goswin
de Fierlant, die zich in die tijd - op voorspraak van zijn schoonvader -
ontpopte als de grote strafrechtsspecialist van de Geheime Raad[34].
De Fierlant volgde op 31 mei 1771 volledig de Causmaecker met uitzondering wat
betreft de strafrechtelijke kwalificatie van de feiten. Volgens de Fierlant was
er in casu geen sprake van een vrijwillige schaking (“rapt volontaire”), maar van een verleiding (“séduction”). Die verleiding onderscheidde zich op ongeveer dezelfde
wijze van de schaking (“rapt”) als de
diefstal (“vol”) van de roof (“rapine”). De schaking werd, net zoals de
roof, altijd bestraft met de doodstraf, terwijl dit voor de verleiding en
diefstal alleen het geval was wanneer er sterk verzwarende omstandigheden aanwezig
waren, zoals het feit dat het om een minderjarige ging bij verleiding en dat er
sprake was van inbraak bij diefstal. Verleiding en diefstal werden dus
arbitrair bestraft naargelang de verschillende omstandigheden waarmee ze
gepleegd werden. De omstandigheden die Pyl en zijn familie hadden aangewend bij
de verleiding van Marie Vanderstraeten waren volgens de Fierlant van de allerergste
soort. Het ging hier niet om een meisje dat op bevel van een rechter was
opgesloten in een bepaald klooster, maar om een meisje dat van het ene oord
naar het andere oord kon trekken terwijl het voortdurend werd verborgen
gehouden voor haar ouders en het gerecht en uiteindelijk naar het buitenland
werd overgebracht. De Regering moest bijgevolg zonder enige aarzeling het bevel
geven om Maximiliaan Pyl en zijn medeplichtigen strafrechtelijk te vervolgen en
passend te straffen voor hun daden. Vader Charles Vanderstraeten moest daarbij
de gelegenheid krijgen om zich te voegen in dit strafproces en een passende
schadevergoeding te vorderen.
Bij het
vervolgen van de Kortrijkse schepenen was er volgens de Fierlant wel enige
omzichtigheid geboden. Het was in de Oostenrijkse Nederlanden niet de gewoonte
om rechters te straffen voor verkeerde vonnissen of beslissingen. Alleen wanneer
zij die vonnissen of beslissingen opzettelijk hadden genomen, waren ze
strafbaar. In casu was dat laatste nog niet gebleken, maar het was niet
uitgesloten dat het Openbaar Ministerie bij de Raad van Vlaanderen dit wel kon
aantonen. De regering moest het Openbaar Ministerie bij de Raad van Vlaanderen
bijgevolg meedelen dat het de Kortrijkse schepenen strafrechtelijk alleen mocht
vervolgen indien het daartoe de nodige materie had. De Geheime Raad en de
regering volgden integraal het advies van de Fierlant. Op 5 juni 1771 gaf de
regering het Openbaar Ministerie bij de Raad van Vlaanderen het bevel om
griffier Pyl en zijn handlangers strafrechtelijk te vervolgen. Voor de
Kortrijkse schepenen mocht dit ook gebeuren, zij het op voorwaarde dat er
hiervoor voldoende materie was. De Raad van Vlaanderen werd bij afzonderlijke
brief van dezelfde datum van dit bevelschrift op de hoogte gebracht.
Het
eigenlijke strafproces tegen Pyl en zijn medeplichtigen begon op 31 juli 1771.
Op die dag ondervroeg raadsheer Jacob-Hyacinthe Van Volden Maximiliaan Pyl in
Gent over de gebeurtenissen tussen 8 april en 5 mei 1771. Hij deed dit aan de
hand van een lijst van 146 schriftelijke vragen die vooraf waren opgesteld door
de Causmaecker. De meeste vragen waren objectief en gingen terug op wat de
Causmaecker in zijn voorbereidend onderzoek had vernomen. Sommige vragen waren
louter speculatief, zoals de vraag of Maximiliaan Marie niet op 8 april 1771 om
zes uur aan haar huis had opgewacht en haar van daar naar de kerk had gebracht,
de vraag of hij Marie niet hielp verkleden voor het instappen in de koets, de
vraag of hij er Marie niet toe had aangezet had om naar Frankrijk te vluchten
en de vraag of hij Marie niet had wijsgemaakt dat de vaderlijke toestemming
voor een huwelijk van zijn dochter niet meer bestond. Op dezelfde wijze
ondervroeg Van Volden op 8 en 9 augustus 1771 Antoon van Ruymbeke, Julie van
Ruymbeke en Françoise van Hamme. Alle vier waren zij persoonlijk gedagvaard
waardoor ze officieel in beschuldiging werden gesteld. Niemand van hen werd
aangehouden, wat uitzonderlijk was in een criminele procedure.
Na deze
ondervragingen stokte het strafproces. Daarom schreef Maximiliaan Pyl op 9
oktober 1771 een brief aan de Raad van Vlaanderen waarin hij nog eens zijn
versie van de feiten uiteenzette, daarbij allerlei bewijsstukken in bijlage
toeleverde en ten slotte de Raad verzocht om zijn zaak niet verder “criminelijck” maar “civilijck” af te handelen. Op deze wijze zou hij niet alleen een
beter inzicht krijgen in alle processtukken, maar was hij er ook zeker van dat
hij ten hoogste een geldboete of een erestraf kon oplopen[35].
Ook aan de Causmaecker schreef Pyl op een brief. Hij deelde hem mede dat de
strafzaak hem psychologisch zeer zwaar viel en hij daarom aandrong om zijn
informatieopdracht zo vlug mogelijk af te werken[36].
De Causmaecker antwoordde hem dat hij recentelijk een aantal nieuwe opdrachten
had gekregen, zoals het bestrijden van de besmettelijke ziekte onder het hoornvee[37]
en het bedwingen van de graanopstand in Brugge, waardoor hij voorlopig geen
tijd meer had om zich met zijn strafproces bezig te houden. Van zodra hij het
wat minder druk had, zou hij de zaak hernemen. Eenzelfde antwoord gaf de
Causmaecker op 22 februari 1772 aan de regering in Brussel toen die hem op 8
januari 1772 vroeg hoever het nu stond met de vervolging.
Eerst in de
carnavalsweken van 1772 kon de Causmaecker zich vrijmaken. Hij trok op 2 maart
1772 naar Doornik, waar hij eerst Marie Vanderstraeten verhoorde en vervolgens
Erasmus Hoverlant, officiaal van Doornik, en Paul-François Barbieux, de
procureur die Marie’s verzoekschrift op 10 april 1771 bij deze officiaal had
ingediend. Van Doornik zakte hij af naar Kortrijk waar hij op 4 en 5 maart 1772
Albert van Marcke, de procureur die Marie’s verzoekschrift op 9 april 1771 bij
de Kortrijkse schepenen had ingediend, verhoorde en vervolgens Marie de Gheselle,
de juffrouw die tijdens Marie’s vlucht als kamermeid dienst deed. Op 9 en 10
maart 1772 verhoorde hij in Gent Charles Vanderstraeten en Marie-Madelaine
Moerman, respectievelijk vader en moeder van Marie Vanderstraeten. Na deze
verhoren sloot hij zijn voorbereidend onderzoek af.
Het
Openbaar Ministerie bij de Raad van Vlaanderen verzette zich drie dagen later
(13 maart 1772) uitdrukkelijk tegen het verzoek van Maximiliaan Pyl om de
strafzaak te civiliseren. De voornaamste reden daarvoor was dat elke
vrijwillige schaking al zonder meer strafbaar was met een tijdelijke verbanning
ook al was er geen huwelijk uit voortgevloeid en dit zowel volgens het Romeinse
recht[38],
het Franse strafrecht[39],
het gewoonterecht[40]
en de rechtsleer[41]. In
casu waren er nog de verzwarende omstandigheden, namelijk het feit dat de
verleiding geschiedde door een openbare ambtenaar, het feit dat het verleide
meisje vijf tot zes weken onder de macht van de verleider of zijn familie stond
en het feit dat zij naar het buitenland werd gebracht. De Raad van Vlaanderen
volgde dit verzet en bepaalde op 18 maart 1772 dat het strafproces verder “criminelijck” moest behandeld worden,
beslissing die hij op 9 oktober 1772 herhaalde na een nieuwe vraag van Pyl tot
civilisatie.
Nu de
Causmaecker het voorbereidend onderzoek had afgesloten kon de Raad van
Vlaanderen de getuigen officieel verhoren. Pas na deze formaliteit hadden hun
verklaringen immers in die tijd volle bewijskracht. Raadsheer Van Volden
belastte zich met die taak. Op 16 mei 1772 en op 3, 9, 15 en 24 juni 1772
verhoorde hij alle personen die al in de “informatien
preparatoire” aan bod waren gekomen en een drietal bijkomende getuigen[42].
Na deze
getuigenverhoren verklaarde het Openbaar Ministerie zich op 25 juli 1772
voldaan voor wat het verzamelen van zijn bewijzen betreft. Aan Pyl en zijn
medeplichtigen deelde het schriftelijk alle vragen mee die het aan de
verdachten en de getuigen werden gesteld en aan de Raad van Vlaanderen vroeg
het om een termijn te bepalen binnen de welke Pyl en zijn medeplichtigen hun
tegenbewijs moesten leveren. Jan de Munck, die intussen door de beschuldigden
tot hun procureur was aangesteld, ontketende daarop een regelrechte
procedureslag omdat hij bepaalde processtukken zoals het verslag van de “informatien preparatoire” niet ter
beschikking kreeg. Het Openbaar Ministerie weigerde traditiegetrouw deze
stukken mee te delen omdat de beschuldigden de getuigen later niet zouden
lastig vallen en deed dit ook hier. Deze procedureslag, die zelfs in hoger
beroep voor de Grote Raad van Mechelen werd uitgevochten, nam de rest in van
het jaar 1772 en geheel de maand januari
Het verstand haalt het op de passie
Het spreekt
vanzelf dat deze gang van zaken de proceskosten hoog deed oplopen. Maximiliaan
Pyl, die als praktijkjurist heel goed besefte dat hij, zelfs na vrijspraak, de
meeste kans had om voor deze kosten op te draaien, had daarom een onderhoud met
de Causmaecker in de loop van december 1772. De Causmaecker, die intussen
procureur-generaal van de Raad van Vlaanderen was geworden, stelde hem voor dat
hij zijn huwelijksbelofte met Marie zou verbreken, dit ootmoedig en zonder
enige voorwaarde aan Marie’s vader zou meedelen en de regering in Brussel zou
vragen om bij wijze van genademaatregel een einde te maken aan zijn
strafproces.
Na rijp
beraad nam Maximiliaan dit voorstel aan, ondermeer omdat hij zijn schoonbroer Antoon
van Ruymbeke en diens zuster Julie van Ruymbeke niet verder wilde belasten met
zijn problemen. Hij deelde dit op 6 januari 1773 schriftelijk mee aan de
Causmaecker, die de brief nog diezelfde dag voorlegde aan Charles
Vanderstraeten en hem vroeg of hij hem mocht doorzenden naar Marie Vanderstraeten.
Charles Vanderstraeten weigerde dit zonder een reden op te geven. Maar
Maximiliaan bleef volhouden en schreef hem op 28 januari 1773 een brief waarin
hij hem meedeelde dat hij zijn dochter Marie ontsloeg van elke verbintenis die
zij tegenover hem zou hebben opgenomen en duidelijk stelde dat hij nooit met
haar zou trouwen zonder de toestemming van haar ouders. De dag nadien zond hij
een kopie van die brief naar de regering in Brussel samen met een
verzoekschrift tot het stopzetten van het strafproces.
De regering
nam hiervan kennis op 1 februari 1773 en besloot om eerst advies in te winnen
bij de procureur-generaal van de Raad van Vlaanderen en de Raad van Vlaanderen
zelf. Procureur-generaal de Causmaecker adviseerde op 19 maart 1773 dat er
gratie kon worden verleend omdat de geest van Maximiliaan Pyl wat beneveld was
door zijn hevige liefdespassie voor Marie en omdat de vier beschuldigden zich
buiten de schaking om altijd zeer eerbiedwaardig hadden gedragen. Om echter een
voorbeeld te stellen voor al diegenen die in de toekomst nog van plan waren om
een dergelijk financieel onevenwichtig huwelijk af te sluiten, moesten Pyl en
zijn medeplichtigen alle proceskosten op zich nemen en mocht het strafproces
niet worden stopgezet, maar alleen opgeschort. Hierdoor zou het onmiddellijk
kunnen worden hernomen wanneer Pyl het toch nog zou wagen om met Marie Vanderstraeten
te trouwen zonder de toestemming van haar ouders. Op voorstel van raadsheer Van
Volden adviseerde ook de Raad van Vlaanderen op 29 maart 1773 positief over de
genadeverlening.
Beide
adviezen werden in de Geheime Raad opnieuw overgemaakt aan Goswin de Fierlant.
Die keerde zich op 30 oktober 1773 radicaal tegen het voorstel van de
Causmaecker om het strafproces op te schorten. Een dergelijke opschorting hield
volgens hem vooreerst een indirecte invoering van een nieuw huwelijksbeletsel
in, iets wat het grote publiek niet zou appreciëren daar het alleen diende om
Charles Vanderstraeten te plezieren. De opschorting zou bovendien de regering
ernstig kunnen compromitteren. Marie had in 1773 bij de regering een verzoek
ingediend om haar te machtigen een proces in te spannen tegen haar ouders voor
het verkrijgen van een plaatsvervangende huwelijkstoestemming. De regering had
haar dit geweigerd omdat ze nog minderjarig was, maar Marie Vanderstraeten werd
in januari 1774 vijfentwintig jaar, zodat de regering haar van dan af wel die
machtiging zou moeten geven. Indien Marie dan het proces tegen haar ouders won
omdat de rechtbank hun huwelijksweigering ongegrond vond, zou Pyl wellicht uit
dat alles afleiden dat de regering ook zijn strafproces had stopgezet en hij
bijgevolg kon trouwen met Marie. Indien hij dan met haar trouwde en het
strafproces om die reden opnieuw in gang werd gezet, zou de publieke opinie
zich tegen de regering keren omdat zij die vervolging zou beschouwen als een
straf voor het afgesloten huwelijk en niet voor de uitgevoerde schaking. Ten
derde hield de opschorting en het feitelijke huwelijksbeletsel dat er uit
voortvloeide, een straf in voor Marie Vanderstraeten die als de verleide vrouw
helemaal geen misdadigster, maar een slachtoffer was. En tenslotte kon men toch
de verdere vervolging van de medeplichtigen van Pyl niet laten afhangen van de
omstandigheid of Pyl al dan niet trouwde met Marie Vanderstraeten.
Het
genadeverzoek van Maximiliaan Pyl moest daarom volgens de Fierlant beoordeeld
worden zoals elk ander verzoek om gratie. De kernvraag was: waren de feiten die
Pyl en zijn handlangers hadden gepleegd voor genade vatbaar of niet? Zo dit wel
het geval was, moest hen genade verleend worden. Zo dit niet het geval was,
moest men hen die genade weigeren. De relatie van de vader Vanderstraeten met
zijn dochter speelde hierbij geen enkele rol. Of hij haar nu zijn toestemming
gaf om te huwen of die weigerde, was van geen enkel belang om de vraag over het
al dan niet verlenen van genade op te lossen.
De Raad van
Vlaanderen was van oordeel dat de feiten die Maximiliaan Pyl en zijn medeplichtigen
hadden gepleegd, genadewaardig waren en dit vooreerst omdat de beschuldigden
personen van aanzien waren en zich buiten de schaking om altijd correct hadden
gedragen. Volgens de Fierlant hield dit argument geen enkele steek. Het kwam er
volgens hem niet op aan om na te gaan of de beschuldigden zich behoorlijk
gedroegen voor het plegen van het misdrijf, maar of de feiten die zij pleegden
van dien aard waren dat de vorst ze kon vergeven zonder enig nadeel voor het
openbare belang. De Raad van Vlaanderen achtte de feiten ten tweede
genadewaardig omdat Charles Vanderstraeten Maximiliaan Pyl een tijd lang
hoogachtte en beschermde. Ook dit tweede argument kwam volgens de Fierlant niet
in aanmerking. Integendeel, het verzwaarde alleen de feiten daar het de ondankbaarheid
van Pyl aantoonde.
De Raad van
Vlaanderen achtte de feiten ten derde genadewaardig omdat de schaking alleen
werd uitgevoerd met de bedoeling om de ouders van het meisje te dwingen om hun
huwelijkstoestemming te geven en uiteindelijk te komen tot een huwelijk die min
of meer in evenwicht was betreffende het fortuin van beide trouwers. Volgens de
Fierlant waren dat nu echt geen genadegronden, maar precies de bestanddelen van
het vervolgde misdrijf. Door de schaking van hun dochter stonden de ouders van
Marie Vanderstraeten voor de verschrikkelijke keuze: ofwel hun toestemming te
geven voor het huwelijk van hun dochter, ofwel nooit meer te weten te komen
waar hun dochter zich in de toekomst bevond. Indien de wetgever niet optrad
tegen Pyl zou zijn aanpak, door het succes en de straffeloosheid ervan,
aanslaan bij de meeste schandalige personen. Indien Pyl een huwelijk had willen
afsluiten dat financieel in evenwicht was, had hij de normale wettelijke procesgang
voor een plaatsvervangende huwelijkstoestemming kunnen volgen, rechtsgang die
hij als griffier van Kortrijk trouwens heel goed kende. De Raad van Vlaanderen
ging er nogal licht over dat de schaking alleen werd uitgevoerd met het oog op
een huwelijk. Uiteraard zou een schaking die werd uitgevoerd met het oog op geslachtsverkeer
veel erger zijn geweest, maar dat laatste hield nog niet in dat een schaking
die een huwelijk voor ogen had zomaar genadewaardig was, en dit was zeker niet
het geval wanneer er sterk verzwarende omstandigheden waren, zoals het
verbergen van een minderjarige voor haar ouders, het gerecht en de regering en
het brengen van het geschaakte meisje naar het buitenland buiten de soevereiniteit
van de vorst.
De Raad van
Vlaanderen stipte ook aan dat Maximiliaan Pyl en Marie Vanderstraeten zich toch
tot de schepenen van Kortrijk en de officialiteit van Doornik hadden gewend om
te kunnen trouwen. Maar volgens de Fierlant was ook dit argument niet ter zake
omdat die stappen veel te laat werden gezet, namelijk nadat het meisje al was vertrokken
uit het ouderlijke huis en onder de macht van haar verleider of zijn
medeplichtigen stond. Pyl had zelfs het meisje verborgen gehouden voor die rechtbanken
om zelf meester te blijven van de situatie. De gezette stappen kwamen dus
helemaal niet overeen met deze die de wetgeving voorschreef. De Raad van
Vlaanderen bracht ook de liefdespassie in rekening die Maximiliaan Pyl tot een
soort zinsverbijstering bracht. Maar ook dit argument was volgens de Fierlant
lariekoek. Op die wijze konden alle zware misdrijven, en meer specifiek verkrachting,
schaking met geweld, moord, brandstichting en diefstal geëxcuseerd worden. De
Raad van Vlaanderen argumenteerde tenslotte dat de woede van de ouders nu wel
sterk zou bekoeld zijn na de brief van Pyl waarin hij hen meedeelde dat hij hun
dochter nooit zou trouwen zonder hun toestemming. Maar ook dat element bracht
volgens de Fierlant niets bij voor het oplossen van de vraag of de gepleegde feiten
vatbaar waren voor genade daar deze genade slechts sloeg op feiten die het
openbare belang en niet het private belang krenkten.
Het besluit
van de Fierlant was dan ook dat Maximiliaan Pyl en zijn medeplichtigen onverbiddelijk
en voortvarend (“avec vigueur et
accélération”) moesten verder vervolgd worden. De procureur-generaal en de
raadsheren van de Raad van Vlaanderen moesten hiervan zo vlug mogelijk op de
hoogte gebracht worden. Omdat de Causmaecker bovendien aan de Fierlant had
meegedeeld dat de raadsheren van de Raad van Vlaanderen zeer mild stonden
tegenover deze strafzaak en van plan waren om Pyl en zijn medeplichtigen
slechts een geldboete van 40 tot 50 florijnen op te leggen, moest hen ook
worden meegedeeld dat zij hun ontwerpvonnissen eerst moesten voorleggen aan de
regering in Brussel. Indien immers aan Pyl en zijn medeplichtigen maar een
dergelijke lichte straf werd toegekend, was geen enkele familievader nog
gevrijwaard van de verleiding van zijn kinderen door de meest ordinaire persoon
en zou de schaking door verleiding gemeengoed worden. De Geheime Raad en de regering
volgden volledig die strenge aanpak. Op 11 november 1773 kregen de
procureur-generaal en de Raad van Vlaanderen de opdracht om de vervolging van
Pyl en zijn medeplichtigen onverbiddelijk voort te zetten en de uit te spreken
eindvonnissen eerst voor te leggen aan de regering in Brussel.
Charles Vanderstraeten laat zich uiteindelijk
toch vermurwen
Het spreekt
vanzelf dat Maximiliaan Pyl en zijn familie zeer ontgoocheld waren over deze
gang van zaken en hierover bij meerdere personen hun beklag deden. Ondermeer de
hoogbaljuw van Oudenaarde, die regelmatig beroep deed op Maximiliaan Pyl voor
het opstellen van allerlei rekeningen, schreef in een brief van 19 november
1773 aan de Causmaecker dat hij genade vroeg voor zijn goede vriend Pyl. De
Causmaecker kon hem niets anders antwoorden dan dat de regering in Brussel en
niet hij zelf meester was van de vervolging.
Maar ook nu
bleef Maximiliaan Pyl doorzetten. Op 18 december 1773 diende hij een nieuw
verzoekschrift in bij de regering waarin hij verklaarde bereid te zijn om voor
gelijk welke rechtbank of persoon de eed af te leggen dat hij Marie
Vanderstraeten nooit of te nooit, direct noch indirect, had aangezet om het
ouderlijke huis te verlaten of naar het buitenland te gaan. Integendeel, hij had
haar gedurende meer dan een jaar meerdere keren afgeraden om het ouderlijke
huis te verlaten en dit totdat haar gezondheidstoestand hem verplichte anders
te handelen. En ook met haar vlucht naar het buitenland had hij helemaal niets
te maken. Marie besliste daartoe volledig autonoom en van zodra zij daar
verbleef, bepleitte hij meerdere keren dat ze zou terugkeren naar de
Oostenrijkse Nederlanden. Dit alles kon hij ook bewijzen met getuigen, maar hij
vreesde dat deze procedure daarvoor zo kostelijk zou zijn dat hij zichzelf en
zijn familie zou ruïneren. De ondervragingen zouden bovendien nieuwe irritaties
opwekken bij zijn eigen familie en die van Charles Vanderstraeten, waar de
frustraties intussen na meer dan twee jaar sterk waren verwaterd. Om al deze redenen
vroeg hij dat de tegen hem ingezette strafprocedure zou worden stopgezet of
tenminste worden opgeschort.
Goswin de
Fierlant, die intussen president was van de Grote Raad van Mechelen, werd opnieuw
opgetrommeld om de regering in deze zaak te adviseren. In zijn advies van 15
januari 1774 bleef hij even onverbiddelijk als vroeger. Zelfs indien Pyl met
getuigen kon bewijzen dat hij Marie Vanderstraeten een jaar lang had afgeraden
om het ouderlijke huis te verlaten en dat Marie Vanderstraeten op eigen initiatief
naar het buitenland was getrokken, bleven er de naakte feiten dat Pyl en zijn medeplichtigen
Marie Vanderstraeten de nodige middelen hadden verschaft om het ouderlijke huis
te verlaten en haar gedurende gans haar vlucht verborgen hadden gehouden voor
haar ouders, de wereldlijke en kerkelijke rechters en de regering in Brussel. Deze
feiten waren niet vatbaar voor genade omdat het voor de Staat zo wie zo
belangrijk was dat schakingen van minderjarigen, zelfs met toestemming van de
geschaakte, hard werden aangepakt. In deze zaak was dit des te meer nodig omdat
ze gepaard ging met veel publiciteit. Het ongestraft laten van deze schaking
zou alleen maar leiden tot een toename van dat misdrijf. De Fierlant stelde dan
ook voor dat er op dat verzoekschrift niet zou worden ingegaan en de regering
de zaak zou laten rusten tot de Raad van Vlaanderen hem zijn ontwerpvonnissen
voorlegde. Wel was er nog het verzoekschrift dat Marie Vanderstraeten, die intussen
25 jaar was geworden, in oktober 1773 had ingediend om haar te machtigen een
proces in te spannen tegen haar ouders voor het verkrijgen van een
plaatsvervangende huwelijkstoestemming. Deze burgerlijke zaak mocht zeker niet
starten vooraleer de strafzaak tegen Pyl en consorten was afgehandeld. Daarom
moest aan Marie Vanderstraeten worden meegedeeld dat zij na de afloop van het
strafproces tegen Maximiliaan Pyl en zijn medeplichtigen een nieuw
verzoekschrift bij de regering kon indienen. De regering volgde op 20 januari
1774 integraal dit advies van de Fierlant.
In
uitvoering van het bevelschrift van 11 november 1773 ging de procureur-generaal
van Vlaanderen vanaf 13 april 1774 verder met het strafproces tegen Maximiliaan
en zijn medeplichtigen. Laatstgenoemden werden opnieuw opgeroepen voor het
leveren van een tegenbewijs. In diezelfde maand verzoende Marie Vanderstraeten
zich echter met haar ouders en ging bij hen opnieuw samenwonen. De Causmaecker
deelde dit mede aan Pyl, die dit uitdrukkelijk vermeldde in een nieuw verzoekschrift
aan de regering van 12 mei 1774. Maar ook dit element bracht geen soelaas. Het
nieuwe verzoekschrift werd zonder meer geklasseerd bij het vorige.
Een echte
doorbraak kwam er pas nadat Maximiliaan Pyl op 11 juli 1774 Charles Vanderstraeten
persoonlijk had ontmoet in Kortrijk ter gelegenheid van een bezoek van deze
laatste aan de stad. In naam van de goede relaties met zijn vader smeekte
Maximiliaan Pyl hem op zijn beide knieën om persoonlijk in Brussel tussen te
komen om het strafproces te stoppen of tenminste op te schorten. Charles
Vanderstraeten, die intussen in het reine was gekomen met zijn dochter en goed
wist dat ze haar gedachten niet meer had bij de inmiddels 40-jarige Pyl, liet
zich deze keer vermurwen. Na een bezoek bij de Fierlant in Brussel verzocht hij
uitdrukkelijk dat de regering het strafproces zou opschorten.
Dit laatste
verzoek deed ook de Fierlant buigen. In een advies van 14 september 1774 wees
hij uitdrukkelijk op deze persoonlijke tussenkomst van vader Vanderstraeten en
stelde hij voor dat hij procureur-generaal de Causmaecker persoonlijk zou
meedelen dat Maximiliaan Pyl en zijn medeplichtigen niet verder moesten
vervolgd worden. Wel moesten zij alle proceskosten betalen. Aan Pyl, zijn
medeplichtigen of iemand anders mocht deze beslissing echter nooit officieel
worden meegedeeld omdat het publiek er geen kennis van zou krijgen en het goed
zou onthouden “qu’il est presque impossible
d’obtenir grâce pour les rapts, soit de vive force ou de séduction”. De
regering verklaarde zich op 20 september 1774 akkoord met dat voorstel en
meteen kwam er een einde aan een meer dan drie jaar durend strafproces tegen
Pyl en consorten. Maximiliaan Pyl kon beginnen aan het afbetalen van de
proceskosten die in totaal 3.383 gulden, zes stuivers en twee denieren courant
bedroegen, in die tijd de prijs van een groot herenhuis. Met hoge heren was het
toen ook al kwaad kersen eten.
Terzelfder
tijd kwam er ook een einde aan het strafproces dat de procureur-generaal van de
Raad van Vlaanderen vanaf 4 juli 1771 had ingespannen tegen de schepenen van
Kortrijk en de priorin van het Sint-Jorishospitaal in Menen. De Kortrijkse
schepenen verdedigden zich, zoals de Fierlant had verwacht, door te stellen dat
zij zich bij het wijzen van hun vonnis op 9 april 1771 niet hadden laten
uitkopen en zich ook niet hadden laten leiden door afgunst of haat. De priorin
verdedigde zich door te stellen dat zij slechts de morgen dat Marie in het
klooster aankwam de vraag kreeg om daar vier tot vijf dagen te verblijven en
dat zij op die vraag inging uit pure naastenliefde. Van een sekwestratie in het
klooster was er volgens de kloosteroverste nooit sprake geweest.
En wat met Marie Vanderstraeten?
Maximiliaan
Pyl ondervond in de rest van zijn loopbaan geen verder nadeel van de schakingaffaire.
De stad Kortrijk benoemde hem op 15 april 1775 tot tweede raadspensionaris en
op 20 februari 1779 tot eerste raadspensionaris van Kortrijk, in die tijd het
hoogste ambt in de stad[43].
Hij bleef dit ambt tot 1790 uitoefenen en pratikeerde na de Franse revolutie
als advocaat. Van de liefde had hij genoeg geproefd. Hij overleed op 13
november
Marie
Vanderstraeten de ten Aerden liet ook nog van zich horen nadat ze op 6 mei 1771
was opgesloten in het Sionklooster in Doornik. Tijdens de “informatie preparatoire” van 2 maart 1772 maakte ze kennis met
advocaat-fiscaal de Causmaecker in wie ze onmiddellijk een groot vertrouwen
had. Tien dagen later schreef zij hem een briefje waarin zij hem aanspoorde om
zijn onderzoek in “nôtre affaire”
zo vlug als mogelijk af te ronden en daarbij rekening te houden met wat zij hem
mondeling had meegedeeld. Zij was er rotsvast van overtuigd dat dit de zaak
vlug zou uitklaren en oplossen. De Causmaecker antwoordde haar op 18 maart 1772
dat hij dit had gedaan, maar dat de Raad van Vlaanderen diezelfde dag beslist
had om het strafproces tegen Pyl en zijn medeplichtigen verder extraordinairlijk
te voeren.
Tien dagen
later antwoordde Marie hem op 29 maart 1772 dat het slechte nieuws dat hij haar
had meegedeeld, haar genegenheid voor Maximiliaan Pyl alleen maar had versterkt
“puisqu’il souffre
mille désagréments pour moi”. Zij vroeg hem opnieuw om haast te maken met “nôtre affaire” en smeekte hem
haar zo vlug mogelijk een advocaat te geven die haar een middel kon verstrekken
“de nous
justifier selon justice”. Ze vroeg hem ook tussen te komen bij haar ouders,
die ze blijkbaar niet meer had gezien, en hen mee te delen dat zij hen ten
zeerste respecteerde en altijd zou respecteren, maar “que
je serais la plus indigne créature si j’abandonnais Monsieur du Fayt après tout
ce qu’il a souffert pour moi, comme il serait le plus affreux des hommes s’il
m’abandonnait après
tout ce que j’ai souffert pour lui et que je suis encore prête de souffrir tant
dur qu’il puisse être”. Na Maximiliaan Pyl al
meer dan elf maanden niet meer gezien of gehoord te hebben was haar liefde
voorhem nog altijd niet uitgeblust.
De
Causmaecker antwoordde op 9 april 1772 dat er tegen haar geen strafproces was
ingespannen en dat zij bijgevolg ook geen advocaat nodig had. Het was de
regering, die geen huwelijken wenste tegen de wil in van de ouders, vooral
wanneer die financieel onevenwichtig waren, die haar had laten opsluiten en dit
verder zou doen zolang het haar beliefde. Voor Maximiliaan Pyl en zijn
medeplichtigen moest ze zich geen zorgen maken: zij hadden alle juridische
ondersteuning die ze wensten. Voor de rest was hij, zoals zij hem had gevraagd,
voor beiden tussengekomen bij haar ouders, maar die bleven rotsvast een
huwelijk met Maximiliaan weigeren en zouden dat volgens zijn bescheiden mening
altijd blijven doen.
Marie
antwoordde hem drie weken later op 27 april
De
Causmaecker antwoordde haar twee dagen later dat hij haar geen advocaat kon
bezorgen omdat de regering haar in het klooster had opgesloten onder de
verplichting dat zij met niemand anders mocht communiceren buiten haar ouders
of diegenen die van hen een toelating hadden gekregen . Hij was wel bereid om
de elementen die zij had toe te voegen aan haar verklaring onder eed van 2
maart 1772 voor te leggen aan de rechters en raadde aan om die op papier te
zetten. Verder kon hij niet gaan.
Dit
antwoord bracht Marie op een ander gedacht: aangezien de regering in Brussel
haar in een klooster had gecolloceerd en bepaald had dat ze met niemand anders
mocht spreken dan met haar ouders en met diegenen die van hen een toelating
hadden verkregen om haar te spreken, was het diezelfde regering die haar kon
machtigen om met een advocaat of een andere raadgever te spreken. Op 6 mei 1772
vroeg ze daarom aan de Causmaecker de toelating om zich te wenden tot de
regering en de kloosteroverste hiervan op de hoogte te brengen. De Causmaecker
antwoordde haar op 13 mei 1772 dat ook dit niet in zijn bevoegdheid lag, maar
alleen in die van haar vader. Hij wees er haar bovendien op dat de regering in
Brussel al voldoende op de hoogte was van haar situatie, en dit zowel door haar
vader als door Maximiliaan Pyl. Elk verzoek dat zij dienaangaande zou doen, zou
niets veranderen aan haar zaak.
Dit
antwoord hield Marie Vanderstraeten voorlopig een eindje stil. Op 26 augustus
1772 schreef zij de Causmaecker wel nog een kort briefje waarin zij hem erop
wees dat de gerechtelijke vakantie bijna voorbij was en zij hoopte dat hij zich
opnieuw zou bezig houden met “nos
affaires” zodat er vlug een einde kwam aan haar “esclavage”. De Causmaecker antwoordde dat hij zijn uiterste best had
gedaan om de zaak vooruit te helpen en dat de zaak wat hem betreft al was
afgehandeld op 24 juni 1772, maar dat Maximiliaan Pyl nu alles in het werk
stelde om de zaak te rekken. Marie antwoordde op 5 september 1772 dat zij niet
kon begrijpen waarom Maximiliaan de zaak aan het rekken was en vroeg de
Causmaecker om haar de reden hiervan mee te delen. Maar de Causmaecker die toen
andere katten te geselen had, was toen waarschijnlijk van oordeel dat hij in
Marie al genoeg energie had gestoken en gaf haar geen antwoord meer.
Toch moet
Marie ook daarna niet zijn stilgevallen. In de maand oktober 1773 diende ze bij
de regering een verzoekschrift in om haar toegang te verschaffen tot het
gerecht voor het verkrijgen van een plaatsvervangende huwelijkstoestemming[45].
De regering maakte dit verzoekschrift op 17 oktober 1773 over aan de Fierlant,
die er, zoals hoger aangegeven, op 15 januari 1774 een antwoord op gaf. De
Fierlant suggereerde daarbij dat dit verzoekschrift was opgesteld door
Maximiliaan Pyl, maar dit lijkt zeer onwaarschijnlijk.
Enkele
maanden later gaf Marie Vanderstraeten dan toch toe aan haar ouders. In april
1774 werd zij uit het klooster in Doornik gehaald en leefde ze van dan af in de
beste verstandhouding met haar ouders. Maximiliaan Pyl, die dit had vernomen
van de Causmaecker, vermeldde dit gegeven uitdrukkelijk in zijn verzoekschrift
van 12 mei 1774 aan de regering in Brussel. Waarom Marie uiteindelijk van
gedacht veranderde en wat er later met haar gebeurde is ons niet bekend.
Wellicht trouwde ze met de man die haar vader voor haar uitkoos, en was ze met
hem nog vele jaren gelukkig.
Soortgelijke zaken in dezelfde tijd?
De nadruk
die Goswin de Fierlant legde op het feit dat men moest vermijden dat er in de
toekomst nog dergelijke zaken voorkwamen, doet al vermoeden dat de zaak Pyl
niet de enige was waarmee de regering van de Oostenrijkse Nederlanden toen te
kampen had. En inderdaad uit een studie van Moreau blijkt dat de Geheime Raad
alleen al tussen 1758 en 1768 vierentwintig keer tussenkwam in een proces tot
plaatsvervangende huwelijkstoestemming en dat er ook na 1768 meerdere
dergelijke tussenkomsten waren. Het ging daarbij meestal om processen die in
het graafschap Vlaanderen werden gevoerd: 14 processen voor de officialiteit
van Gent, drie voor de officialiteit van Brugge en één voor de officialiteit
van Ieper[46].
Daarnaast vonden er in die tijd ook andere strafprocessen plaats wegens
schaking door verleiding[47].
Interessant
is dat de Causmaecker in zijn adviezen aan de regering in Brussel verwees naar
één van die schakingprocessen, namelijk het strafproces dat in 1762 plaatsvond
in Brabant tegen Pieter Platteau en Joannes Heyvaert en dat ook Maximiliaan Pyl
tot twee maal toe verwees naar een schakingsproces, namelijk dit tegen de
Gentse advocaat Frans d’Hoop[48].
De schaking
door Pieter Platteau en Joannes Heyvaert was een zeer eenvoudige zaak. De grafdelver
Pieter Platteau, zoon van de koster van Ternat, was verliefd was op Antoinette
Mobillon, dochter van een advocaat in hetzelfde dorp. Op een dag vroeg hij haar
vader stamelend haar hand, maar vloog zonder meer buiten. Twee dagen later
ontvluchtte de 21-jarige Antoinette het ouderlijke huis en klopte aan bij Jan
Heyvaert, een schoonbroer van Pieter Platteau. Die hielp haar vluchten naar
Essen, Merchtem, Dendermonde en Mechelen. Pieter Platteau bracht haar
uiteindelijk van Mechelen naar het Bethaniëklooster in Brussel, waar haar vader
haar aantrof. Guillaume-Joseph-François de Hemptines, procureur-generaal van de
Raad van Brabant, vervolgde Heyvaert en Platteau voor de Raad van Brabant
wegens “misleydinghe van eene jonge
onbejaerde dochter tegens de wille ende danck van heuren vaeder”. De
procedure verliep “criminelijck”, een
precedent dat de Causmaecker aanhaalde in zijn advies van 19 maart
De
strafzaak tegen Frans d’Hoop deed in Brussel meer stof opwaaien[51].
Frans d’Hoop was de zoon van een eenvoudige koetsier uit Gent die er na enkele
jaren praktijk als procureur bij de Raad van Vlaanderen in slaagde om in
februari 1763 een licentiediploma in de rechten te halen aan de universiteit in
Leuven. Hij schreef zich in als advocaat bij de Grote Raad van Mechelen en de
Raad van Vlaanderen in Gent en kende onmiddellijk een groot succes. In 1763
maakte hij in Gent kennis met de 22-jarige Marie-Louise Danneels. Zij was de
oudste dochter van Jan-Baptist Danneels, heer van Zingem en de Brande, die niet
van adel was, maar zich toch graag zo gedroeg ondanks zijn geringe beurs.
Beiden raakten op elkaar verliefd en besloten met elkaar te trouwen. Maar zoals
bij Marie Vanderstraeten was er de toestemming nodig van haar ouders en haar
vader weigerde die, zogezegd omdat Frans d’Hoop van veel te geringe afkomst
was.
Op voorstel
van d’Hoop trok Marie-Louise dan maar naar de officialiteit van Gent waar ze op
15 maart 1763 een verzoekschrift indiende voor een plaatsvervangende
huwelijkstoestemming. De officiaal, Jacob Clemens, die heel sympathiek stond
tegenover de succesrijke D’Hoop en al jaren een kindvriendelijke politiek
voerde[52],
nam kennis van haar verzoekschrift en liet haar in afwachting van een uitspraak
colloceren in het klooster van het Sint-Margarethaklooster, gezegd Deinze, in
Gent. Vader Danneels werd ervan op de hoogte gebracht dat hij zijn bezwaren
tegen het huwelijk voor de officialiteit mocht komen uitleggen.
Danneels,
die de reputatie van de officiaal van Gent kende, maakte gebruik van de mogelijkheid
die de Geheime Raad vanaf 1753 had ontwikkeld om ouders te steunen in hun
strijd tegen ongehoorzame kinderen[53].
Hij verkreeg op 19 maart 1763 de toelating van de regering om zijn dochter uit
het Sint-Margarethaklooster in Gent te halen en ze te plaatsen in om het even
welk ander klooster in het bisdom Gent, waar ze dan alleen met hem en zijn echtgenote
mocht communiceren. Terzelfder tijd werd de procedure voor de officiaal van
Gent geschorst en kreeg deze laatste de opdracht om zo vlug als mogelijk van
advies te dienen. Jan-Baptist Danneels haalde zijn dochter uit het
Sint-Margarethaklooster en sloot ze op 23 maart 1773 op in het Sionklooster in
Oudenaarde (Pamele)[54].
Officiaal
Clemens was al op 10 april 1763 klaar met zijn advies. Hierin beklemtoonde hij
de eeuwenoude bevoegdheid van de kerkelijke rechtbank voor het verlenen van een
plaatsvervangende huwelijkstoestemming, poneerde hij de stelling dat het
verschil in fortuin nooit een huwelijksbeletsel was in de Nederlanden en zette
hij gedetailleerd uiteen dat de stand van advocaat d’Hoop gelijkwaardig en
zelfs beter was dan die van Danneels. De regering in Brussel besloot om dit
advies voor te leggen aan Jan-Frans-Xavier Diericx, advocaat-fiscaal bij de
Raad van Vlaanderen en in die hoedanigheid de voorganger van de Causmaecker.
In een
lange tirade van meerdere bladzijden fulmineerde Diericx op 13 mei 1763 dat de
officialiteiten, en meer specifiek de officiaal Clemens van Gent[55],
zich onrechtmatig de bevoegdheid hadden toegeëigend om te beslissen over
plaatsvervangende huwelijkstoestemmingen, dat zij systematisch afbreuk deden aan
de natuurrechtelijke bevoegdheid van de ouders om te beslissen over de huwelijken
van hun kinderen en dat de stand van de hovaardige d’Hoop absoluut niet te
vergelijken was met de eeuwenoude status van Danneels. Diericx gaf wel toe dat
de beschuldiging van vader Danneels dat advocaat d’Hoop zijn dochter had
verleid, niet sterk kon gemaakt worden. De Concessie Carolina voor de stad Gent
had het in artikel 48 en 50 immers alleen over het huwen van een kind zonder toestemming
van zijn ouders, en dit was (nog) niet gebeurd. Maar indien d’Hoop nog verder
probeerde te corresponderen met Marie-Louise Danneels, zoals hij al had gedaan,
moest hij arbitrair worden gestraft wegens een inbreuk op het vorstelijke
sekwesterbevel.
In
afwachting van een nieuwe wet die een einde maakte aan de ergerlijke
officialiteitspraktijk drong Diericx ook aan dat de regering een principebeslissing
zou nemen. De regering moest niet alleen de verzoekschriften van d’Hoop en de
officiaal onontvankelijk en ongegrond verklaren, maar ook het verzoekschrift
van Marie-Louise Danneels bij de officialiteit van Gent tot een
plaatsvervangende huwelijkstoestemming. Meteen moest zij ook het bevel tot
opsluiting van Marie-Louise Danneels in het Sint-Margarethaklooster vernietigen
evenals alle daarop volgende procedures. De officiaal van Gent moest
uitdrukkelijk het verbod worden opgelegd om in de toekomst nog verder kennis te
nemen van dergelijke vorderingen. Hij moest bovendien een waarschuwing krijgen
omdat hij de soevereiniteitsrechten van de vorst in het gedrang had gebracht.
Advocaat d’Hoop moest anderzijds het verbod krijgen om nog verder, direct of
indirect, te corresponderen of contact te zoeken met Marie-Louise Danneels op
sanctie van een arbitraire straf. Dit laatste moest worden meegedeeld aan de
overste van het Sionklooster in Oudenaarde met het bevel erop toe te zien dat
dit verbod werd gerespecteerd.
Het advies
van Clemens werd samen met dit van Diericx aan de Geheime Raad overgemaakt. Die
Raad was het er volledig mee eens dat Clemens uitging van verkeerde principes,
maar wou helemaal niet zover gaan als Diericx. Aan de regering werd alleen
voorgesteld dat vader Danneels de toelating zou krijgen om zijn dochter op te
sluiten in een klooster dat niet alleen in het bisdom Gent, maar ook in de rest
van de Oostenrijkse Nederlanden was gelegen. Dit moest volstaan om Marie-Louise
Danneels uit de invloedsfeer van Frans d’Hoop te houden. Maar de regering in
Brussel wilde nog minder ver gaan en bepaalde op 20 mei 1763 en 25 augustus
1763 dat Jan-Baptist Danneels het geschil over de plaatsvervangende
huwelijkstoestemming van zijn dochter kon voorleggen aan de schepenbank van
Gent[56].
Het was naar deze bevoegdheidstoewijzing, die gepubliceerd werd in de “Placaertboecken van Vlaenderen”[57],
dat Maximiliaan Pyl verwees toen hij in zijn brief van 27 april 1771 aan de
Causmaecker stelde dat de Kortrijkse schepenbank bevoegd was om te beslissen
over plaatsvervangende huwelijkstoestemming van Marie Vanderstraeten.
Maar deze
bevoegdheidstoewijzing was heel ongelukkig geformuleerd. Zij liet immers ook
toe dat Jan-Baptist Danneels niets ondernam en op die wijze het huwelijk
blokkeerde, wat hij ook deed. Zijn dochter liet hij intussen stikken in het
klooster en hij betaalde zelfs haar kosten niet waardoor hij ook de overste van
het Sionklooster tegen hem kreeg. Om uit die patstelling te geraken koos
advocaat Frans d’Hoop dan maar voor juridische spitstechnologie. Hij verhuisde
naar Geraardsbergen, dat gelegen was in het bisdom Mechelen, dagvaardde er
Marie-Louise Danneels voor het nakomen van haar huwelijksbeloften, liet haar
hiervoor bij verstek veroordelen, vroeg de uitvoering van dit vonnis, verkreeg
van de bisschop van Gent dispensatie voor de drie publieke huwelijksafkondigingen
die normaal in de woonplaats van Marie-Louise moesten plaatsvinden en trouwde
met haar in Geraardsbergen op 29 mei 1765. Marie-Louise moet toen bijna 25 jaar
geweest zijn en dus heel dicht bij de leeftijd om volgens het Gentse recht
zelfstandig te kunnen trouwen. Acht dagen later bracht hij de regering op de
hoogte van zijn geslachtelijk voltrokken huwelijk[58]
en vroeg haar om elk procedure voor de schepenen van Gent tot het verlenen van
een plaatsvervangende huwelijkstoestemming aan Marie-Louise Danneels stop te
zetten.
Jan-Baptist
Danneels kreeg hiervan bericht en kreeg meteen een appelflauwte. Met behulp van
een advocaat diende hij op 15 juni 1765 een nieuw verzoekschrift in bij de
regering waarin hij haar verzocht opdracht te geven aan de advocaat-fiscaal van
de Raad van Vlaanderen om zijn dochter op te pakken en op te sluiten in een
klooster van zijn keuze en Frans d’Hoop te vervolgen voor schaking door
verleiding. De regering maakte dit verzoekschrift voor advies over aan Diericx,
die hem precies één maand later (19 juli 1765) een antwoord gaf. Na het lezen
van het verzoekschrift van vader Danneels was hij er onmiddellijk van overtuigd
geraakt dat advocaat d’Hoop een gekwalificeerde schaking door verleiding (“rapt de séduction caractérisé”) en een
schending van het vorstelijke sekwester (“viol
de séquestre décrété par sa Majesté”) had gepleegd. Hij had de zaak daarom
voorgelegd aan de tweede kamer van de Raad van Vlaanderen en daar de
strafrechtelijke vervolging gevraagd van d’Hoop en de overste van het Sionklooster
in Oudenaarde. Laatstgenoemde had d’Hoop immers, tegen een regeringsverbod in,
vrije toegang verschaft tot Marie-Louise Danneels. Daarnaast vroeg Diericx de
Raad van Vlaanderen hem te machtigen om Marie-Louise Danneels op te pakken en
in een klooster op te sluiten tot de strafzaak was afgehandeld. De tweede kamer
van de Raad van Vlaanderen stond hem dit laatste toe en gaf hem verder de
opdracht om de schaking en sekwesterschending verder te onderzoeken, wat
Diericx zonder enige aarzeling deed.
Dit was
echter zonder de waard gerekend, in casu advocaat Frans d’Hoop. Net toen
Diericx bij de tweede kamer tegen d’Hoop een strafvordering wou indienen,
betwistte d’Hoop bij de president van de Raad van Vlaanderen de eerdere
beslissing van de tweede kamer op grond van het feit dat er onder de rechters
van die kamer een verschil van mening bestond en dat sommige rechters van die kamer
van oordeel waren dat schaking door verleiding niet eens strafbaar was. Meteen
stelde d’Hoop voor dat de zaak op zijn kosten opnieuw zou hernomen worden door
de gezamenlijke vergadering van de twee kamers van de Raad van Vlaanderen,
voorstel waarin hij werd gesteund door de president van de Raad van Vlaanderen.
Diericx voelde zich in de zak gezet en bestempelde deze gang van zaken als pure
nieuwlichterij die de procesgang in strafzaken alleen maar verlengde. Hij
bracht de zaak voor de regering en vroeg deze te beslissen dat de strafzaak
tegen d’Hoop verder kon behandeld worden door de tweede kamer van de Raad van Vlaanderen.
De regering volgde hem in dat betoog op 23 juli 1765, maar vroeg hem terzelfder
tijd te onderzoeken hoe d’Hoop te weten was gekomen dat er onder de raadsheren
van de Raad van Vlaanderen verschil van mening was en wie van de raadsheren het
geheim van de beraadslagingen had geschonden.
Wat er
uiteindelijk met dit interne onderzoek[59]
en met het strafproces tegen Frans d’Hoop gebeurde is ons niet duidelijk bij
gebrek aan archiefstukken. Hoogstwaarschijnlijk werd het strafproces tegen
d’Hoop kort nadien stilgelegd[60],
want d’Hoop bleef in dat jaar en de daaropvolgende jaren zonder enige
onderbreking optreden als advocaat bij de Raad van Vlaanderen en adviseerde
ondermeer in
Enkele conclusies bij wijze van besluit
In de
tweede helft van de 18de eeuw oefende de aristocratie in de
Oostenrijkse Nederlanden veel druk uit op de regering in Brussel om de
huwelijken te beletten van minderjarigen zonder de toestemming van de ouders[62].
Dit was zeker het geval wanneer het om bemiddelde minderjarigen ging. Die aristocratie
keerde zich daarbij vooral tegen de officialiteiten die, uit eerbied voor de
vrije wil van de kinderen, de plaatsvervangende huwelijkstoestemming
gemakkelijk verleenden zonder rekening te houden met het standsverschil tussen
de partijen.
De
Oostenrijkse regering in Brussel (Gouverneur-generaal, Gevolmachtigd Minister)
volgde op advies van de Geheime Raad deze aristocratische aspiraties. Behoudens
een schorsing van de procesgang voor de officialiteit besliste zij soms tot een
strafrechtelijke vervolging van de meerderjarige partner wegens (schaking door)
verleiding.
Het
misdrijf van (schaking door) verleiding lag toen, in tegenstelling met
Frankrijk, niet wettelijk vast. Dit was in die tijd helemaal niet zo erg want
het Romeinse recht, het gewoonterecht en de rechtsleer leverden er volgens
sommige rechtsgeleerden de basis van. Volgens andere juristen was dit echter
niet het geval. Ze betwisten dat dit misdrijf überhaupt strafbaar was.
Die
strafrechtelijke beteugeling van het trouwen zonder de toestemming van de
ouders was weinig succesvol. De publieke opinie verzette zich ertegen. De
wettelijke nietigverklaring van het huwelijk was een betere optie die vanaf
1781 door de Patrice-François de Nény, voorzitter van de Geheime Raad, werd
uitgeprobeerd en uiteindelijk door Jozef II wettelijk werd opgelegd in een
ordonnantie van 28 september 1784. Ook nu nog staat een dergelijke bepaling in
artikel 148 van ons Burgerlijk wetboek. Wel is de meerderjarigheidsleeftijd nu
van 25 op 18 jaar gebracht.
De
rechtstreekse tussenkomst van de regering of een lid ervan in lopende processen
is momenteel in ons rechtssysteem volledig taboe omdat de scheiding van de
machten, en meer specifiek van de uitvoerende en rechterlijke, heel strikt is
in ons land. De huidige burgemeester van Kortrijk, die ooit Minister van
Justitie was, weet er van mee te spreken. In de 18de eeuw was de
rechtsbedeling slechts een vorm van goed bestuur … en dus controleerbaar en
beïnvloedbaar door de regering: “Ubi
mores, ibi leges”.
[1]
Alle hierna vermelde gegevens
komen uit Brussel, Algemeen Rijksarchief, Geheime
Raad. Oostenrijkse periode, 576 B en Gent, Rijksarchief, Raad van Vlaanderen, 23.472.
[2] Schepen van Kortrijk van 1743 tot 1749, burgemeester van 1749 tot 1771, actuaris van de Staten van Vlaanderen van 1771 tot 1778 en baljuw van de Oudburg van Gent vanaf 1778: M. VANDENBERGHE, De bestuurlijke inrichting van de stad Kortrijk tijdens het Oostenrijkse bewind (1740-1789), (onuitgegeven licentieverhandeling KU-Leuven), Leuven, 1968, p.80.
[3]
Zijn vader Norbert Pyl was schepen van Kortrijk tussen 1722 en 1769: M.
VANDENBERGHE, De bestuurlijke inrichting, p. 81.
[4] De familie Laviolette waren nochtans geen sukkelaars. In de Leiestraat bouwden zij in 1778 een huis met een gevel met vijf traveeën: E. VAN HOONACKER, Ikonografie van Kortrijk en omgeving 1280-1900, Kortrijk, 1977, p.220.
[5] Norbert Pyl overleed in 1769 en liet toen, zoals Maximiliaan Pyl op 27 april 1771 zelf bekende, maar een schamel fortuin na voor zijn echtgenote en zijn zes kinderen.
[6]
Er waren ook een aantal grondvereisten die bij afwezigheid huwelijksbeletselen
werden genoemd, namelijk het bereikt hebben van de leeftijd van 12 jaar voor
het meisje en 14 jaar voor de jongen, het aanwezig zijn van een verboden bloed- of aanverwantschapsband, van
geestelijke verwantschap, van adoptie, van impotentie, van eredienstverschil,
van geestelijke staat van één van de partijen, van een huwelijksband, van
gekwalificeerd overspel en van schaking met geweld van een vrouw. Het huwelijk
was ook nietig wanneer de toestemming van één van de trouwers was aangetast
door een dwaling in de persoon, geweld of vrees: Z.B. VAN ESPEN, Ius
ecclesiasticum universum hodierna disciplinae praesertim Belgii, Galliae et
vicinarum provinciarum accomodatum, Leuven, 1700, p. 672-698.
[7] Z.B. VAN ESPEN, Ius ecclesiasticum…, 658 (Pars II, titulus XII, caput IV, n° 19-21).
[8] Edict van Karel V van 4 oktober 1540 (Recueil des ordonnances des Pays-Bas, 2de
reeks, 4, Brussel, 1907, p. 237) en edict van Filips IV van 29 november 1623 (Plakkaeten van Vlaenderen, 2, p.771). Een edict van 4 augustus
1692 was nog strenger, maar werd al een jaar later ingetrokken: C. D’OUTREPONT,
Des empêchements dirimant le contrat de
mariage dans les Pays-Bas Autrichiens, selon l’édit de sa Majesté l’empereur et
roi Joseph II du 28 septembre 1784, s.l., 1784, p. 58-79.
[9]
Advies van 10 december 1773
van F. d’Hoop, R. Corthals, J.P. Roelants, P.F. de Meyere en A. Van Ypersele:
Brussel, Algemeen Rijksarchief, Geheime
Raad, 576. Deze rechtsgeleerden steunden hiervoor op rubriek 12, artikel 9
van de gehomologeerde costumen van Kortrijk. Zij benadrukten dat Kortrijk niet
de enige plaats was waar die regel gold. Ook Sint-Winoksbergen, (rubriek, 17,
artikel 27), de kasselrij Rijsel (chapitre, 4, artikel 2), de kasselrij Dowaai
(chapitre 7, artikel 12) kenden dit regime. Volgens Gilissen was dit ook het geval in Kassel,
Broekburg, de kasselrij Ieper, de stad Ieper en de kasselrij Veurne: J. GILISSEN,
‘Puissance paternelle et majorité émancipatrice dans l’ancien droit de
[10]
De bevoegdheid van de kerkelijke rechter werd in de tweede helft van de 18de
eeuw sterk betwist: J. ROEGIERS, ‘Kompetenzkonflikte im Eherecht des
Oesterreichischen Niederlande. De Fall des Genter Offizials Clemens (1786)’,
in: Recht en instellingen in de oude
Nederlanden tijdens de middeleeuwen en de Nieuwe Tijd. Liber amicorum Jan Buntinx, Leuven, 1981, p. 605-618; J.L. MOREAU,
[11]
J.B. VAN ESPEN, Ius ecclesiasticum …, p. 699 (Pars II, titulus XII, caput IV,
n°25-26). De Concessie
Carolina voor Kortrijk van 4 november 1540 bepaalde in artikel 24 iets
soortgelijks. Wanneer voogden of andere familieleden het oneens waren over de
huwelijkstoestemming voor een weesmeisje onder de 20 jaar, kon de meest gerede
partij zich wenden tot de Kortrijkse schepenbank die dan de redenen van de
weigering kon onderzoeken en bij ongegrondheid de toestemming zelf kon geven:
TH. DE LIMBURB-STIRUM (ed.), Coutume de la ville et châtellenie de
Courtrai, 1: Ville de Courtrai,
Brussel, 1905, p. 387.
[12] Recueil des ordonnances des Pays-Bas Autrichiens, 3ème série, 5, Brussel, 1882, p. 315-316.
[13]
Z.B. VAN ESPEN, Ius ecclesiasticum …, p. 697 (Pars II, titulus XII, caput X, n°9).
Het waren vooral de kerkelijke rechtbanken die dit procédé toepasten. De
Geheime Raad liet ze dan weer dikwijls uit dat klooster weghalen om ze in een
ander klooster op te sluiten, waar ze nog alleen onder de invloed van hun
ouders stonden: J.L. MOREAU, Guerre
matrimoniale…, p. 218-219.
[14] Huidige Sint-Michielskerk: E. VAN HOONACKER, Ikonografie, p.269-271.
[15] Gebouw dat nu in de Guido Gezellestraat ligt en het Rijksarchief gevestigd is: E. VAN HOONACKER, Ikonografie, p.204 en 208; J. De Bethune, ‘Berg van Barmhartigheid’, in: Handelingen van de Geschied- en Oudheidkundige Kring van Kortrijk, 18 (1939), p.176-177.
[16] Rembry-Barth, Histoire de Ménin d’après les documents authentiques, Brugge, 1881,
1, p. 129.
[17] Gelegen in de Rijselsestraat, Rembry-Barth, Histoire de Ménin, 3, p. 324-390 en 4 (laatste kaart)..
[18]
Rubriek 12, artikel 4, rubriek
15, artikel 29 en rubriek 16, artikel 1: TH. DE LIMBURG STIRUM, Coutûme de la ville de Courtrai, p.44 en 76.
[19] Zie verder.
[20]
Pyl beklaagde er zich later
over dat deze termijn uitzonderlijk lang was. Hij weet dit aan de invloed van
de Kortrijkse burgemeester.
[21]
Volgens Charles Vanderstraeten
weigerde hij alleen het kerkelijke huwelijk af te sluiten zonder de verplichte,
voorafgaande aankondigingen van dat huwelijk.
[22] In een brief van 12 juni 1771 verwees de officiaal hiervoor naar Z.B. VAN ESPEN, Ius ecclesiasticum …, 1753, Tomus 2, p. 288, n°8 en 9.
[23] Francisci Mariae Muscettulae, Archiepiscopi Rossanensi, Dissertatio
Theologico-Legalis, De Sponsalibus et Matrimoniis quae à Filiisfamilias
contrahuuntur, Parentibus insciis vel injuste invitis …, Rome, 1766. Dit werk werd in
[24] Het verzoekschrift werd feitelijk opgesteld door de meest befaamde hofagent B.J. Dotrenge. Meer over deze persoon bij J. ROEGIERS, ‘Kompetenzkonflikte’, p. 612.
[25]
De Kortrijkse schepenbank, die
van dit bevelschrift eerst kennis kreeg op 30 april 1771, toen de drie weken
verstreken waren die hij op 9 april 1771 had bepaald, gaf zijn advies op 4 mei
1771. Zij adviseerden dat zij die zaak zelf zouden afhandelen en Marie intussen
zouden laten opsluiten in een klooster in het bisdom Doornik. De officiaal van
Doornik antwoordde op 12 juni 1771 dat hij Marie’s verzoekschrift had geweigerd
omdat hij, zoals Z. B. Van Espen (editie van 1753, Tomus II, p. 288, n°8 en 9)
het voorschreef, eerst wou bemiddelen bij de ouders.
[26] Over deze functie die na deze van procureur-generaal de tweede belangrijkste was van het Openbaar ministerie in de Raad van Vlaanderen zie J. BUNTINX, Inventaris van het archief van de Raad van Vlaanderen, deel 7, Brussel, 1977, p.6.
[27] Dit was op dat ogenblik Rosalie Du Mortier: Rembry-Barth, Histoire de Ménin, deel 3, p. 383.
[28] Het verzoekschrift werd nog de 15 april 1771 bij de
regering ingediend. Deze weigerde hierop in te gaan zolang hij haar
schuilplaats niet kende.
[29]
Raadsheer van de Raad Van
Vlaanderen op 20 maart 1764, advocaat-fiscaal bij diezelfde Raad op 31 oktober
1770, procureur-generaal bij diezelfde Raad op 5 november 1772, actuaris van de
gedeputeerden van de Staten van Vlaanderen in 1778 (als opvolger van Charles
Vanderstraeten!), gestorven in Deurle op 26 april 1785: J. BUNTINX, Inventaris van het archief van de Raad van
Vlaanderen, Brussel, 1964, p. 70.
[30] Tijdens zijn eigen ondervraging gaf hij toe dat hij de bedienden vooraf had gezegd dat zij de waarheid moesten spreken.
[31] Hij verwees hiervoor naar het “Ius ecclesiasticum” van Zeger Bernard Van Espen (Pars II, titulus XII, caput IV, n° 25-29), de commentaar op de pandecten van Johannes Voet (Liber XXII, titulus 2, n°22), de vorstelijke ordonnanties van 4 oktober 1540, 29 november 1623 en 31 oktober 1739 en de Concessies Carolina voor Kortrijk, Gent en Oudenaarde
[32] De vervolging voor de Raad van Vlaanderen was normaal: de Kortrijkse schepenen waren erbij betrokken en moesten daarom voor een hogere rechter komen.
[33] Sinds 1758 was De Nény bezig met het voorbereiden van een wet om de ouderlijke toestemming als een wettelijk huwelijksbeletsel voor de huwelijken van minderjarigen in te voeren. In 1781 maakte hij zelfs een ontwerp van wet om die ouderlijke toestemming als nietigmakend beletsel in te voeren, maar de regering in Wenen werkte tegen: J.L. MOREAU, Guerre matrimoniale …, p. 208-251.
[34] Meer over deze belangrijke 18de-eeuwse strafrechtsjurist bij J. MONBALLYU, ‘De rol van de wetgever en de rechter bij de strafrechtsbedeling volgens Goswin de Fierlant (1735-1804)’, in: Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis, 68 (2000), p. 281-285 en J. MONBALLYU, ‘L’idée d’un code criminel chez Goswin de Fierlant’, in: G. Macours en R. Martinage (ed.), Les démarches de codification du Moyen-âge à nos jours (Iura scripta historica, XXI), Brussel, 2006, p. 61-65.
[35]
Over het onderscheid tussen de
civiele en de criminele procesgang in strafzaken zie J. MONBALLYU, ‘Het
onderscheid tussen de civiele en de criminele en de ordinaire en de
extraordinaire strafrechtspleging in het Vlaamse recht van de 16de eeuw’, in:
H.A. DIEDERIKS en H.W. ROODENBURG (ed.), Misdaad, zoen en straf.
Aspecten van de middeleeuwse strafrechtsgeschiedenis in de Nederlanden,
Hilversum, 1991, p.120-132 en J.
MONBALLYU, ‘De hoofdlijnen van de criminele strafprocedure in het
graafschap Vlaanderen (16de tot 18de eeuw)’, in: C.H. Van
Rhee, F. Stevens en E. Persoons (ed.), Voortschrijdend procesrecht. Een
historische verkenning, Leuven, 2001, p.63-108.
[36]
Oproep die herhaald werd in brieven
van 29 november 1771, 26 januari 1772, 16 februari 1772 en 19 februari 1772
[37] Meer over deze taak van de Causmaecker bij J. BUNTINX, Inventaris, deel 7, Brussel, 1977, p.15-16.
[38]
Het Openbaar ministerie verwees hiervoor vooreerst naar de “Lex unica de raptu virginum” in de Codex
(C,9,13), de “De criminibus” van Antonius Matthaeus
(Liber 48, titulus 4, caput 2, n°4), de commentaar van Perez op de Codex (Liber
9, titulus 13, n°3) en de Commentarius ad
Pandectas van Joannes Voet (Liber 48, titulus 6, n°5-6).
[39]
Edict van 1 mei 1579, artikel 42.
[40]
Artikel 23 van de
Concessie Carolina van 1540 voor de stad Kortrijk, artikel 48 en 50 van de
Concessie Carolina voor de stad Gent, artikel 21 van de Concessie Carolina voor
de stad Oudenaarde en art. 197 van de costumen van Cassel.
[41]
De “De testamentis coniugium” (Liber 1, caput 5, n°3) van Antonius
Peckius, de “In Legis municipales
Mechlinensis commentaria ac notae” (Titel 19, artikel 30, n°1) van Paulus
Christinaeus en de “Commentarius ad
Pandectas” (Liber 48, titulus 6, n°6) van Johannes Voet.
[42]
Het ging hier om Lodewijk Costeur, de blekersknecht van Antoon van Ruymbeke die
het pand achter de Berg van Barmhartigheid in Kortrijk had ontsloten, pater
Emmanuel de Camba, rector van
het Jezuïetencollege in Kortrijk die bij Charles Vanderstraeten en
Marie-Magdaleine Moerman een mislukte bemiddelingspoging ondernam, Jan-Baptiste
Malengié, licentiaat in de medicijnen in Kortrijk, die hem om die
bemiddelingspoging verzocht en Frederick Ghesquière, handelaar in Kortrijk die
deze laatste de bemiddeling suggereerde.
[43]
M.VAN DEN BERGHE, De bestuurlijke inrichting …, p.150-151.
[44]
Kortrijk, Rijksarchief, Burgerlijke stand Kortrijk. Overlijdens 1812,
f°97v.
[45]
De omstandigheden van dit
verzoekschrift zijn niet heel duidelijk. Wellicht gebeurde dit op grond van de
volmacht die Marie daarvoor verleende op 4 mei 1771, de dag voordat ze in
Steenwerk werd opgepakt.
[46] J.L. MOREAU,
[47] In het archief van de Raad van Vlaanderen vonden wij uit periode van 1758 tot 1795 nog vier andere schakingsprocessen: tegen Frans Garsie uit Gent in 1760-1762 (Gent, Rijksarchief, Raad van Vlaanderen, 23.368), tegen Jan-Baptiste van Bunnen uit Menen in 1779-1780 (Ibidem, 23.532), tegen Pieter van der Plaetsen uit Sint-Maartens-Leerne in 1784 (Ibidem, 23.608) en tegen Pieter den Dauw uit Avelgem in 1790 (Ibidem, 23.680).
[48]
In het verzoekschrift van
Marie Verstraeten van 15 april 1771 en zijn brief van 27 april 1771 aan de
Causmaecker.
[49]
Stukken van dit proces
bevinden zich enerzijds in Brussel, Algemeen Rijksarchief, Geheime raad. Oostenrijkse periode, kartons, 576 B en Gent,
Rijksarchief, Raad van Vlaanderen,
23.472.
[50] Dit wil zeggen door hun huwelijksverklaring onverwachts en zonder de nodige huwelijksafkondigingen voor de pastoor af te leggen.
[51]
Alle gegevens komen uit
Brussel, Algemeen Rijksarchief, Geheime
raad. Oostenrijkse periode, kartons, 576 B.
[52] Geboren in Gent op 29 juli 1713 en er gestorven op 20 januari 1779. Officiaal van Gent van 1755 tot 1768: A.E. HELLIN, Histoire chronologique des évêques et du chapître cathédrale de Saint Benoît à Gand, Gent, 1772, p. 356. Meer over zijn politiek bij J. ROEGIERS, ‘Kompetenzkonflikte’, p. 607-613 en J.L, MOREAU, Guerre matrimoniale, 41-49.
[53]
Deze methode bestond erin dat de ouders van de Regering de toelating kreeg om
hun ongehoorzaam kind in een klooster op te sluiten waar het alleen met hen
contact mocht hebben en de procedure voor de officialiteit werd opgeschort tot
de Regering hieraan een einde maakte. Volgens Moreau werd die methode aangewend
vanaf september 1758: J.L. MOREAU, La
guerre matrimoniale, p. 208. Volgens De Munck gebeurde dit al in 1753: B.
DE MUNCK, Ongehoorzame kinderen, p.
93 en 100.
[54] Advocaat d’Hoop had intussen bij de Regering tevergeefs een verzoekschrift ingediend waarbij hij hem vroeg niet in te gaan op het verzoekschrift van Danneels en de zaak terug te sturen naar de officialiteit van Gent. Hij stelde daarbij dat hij van een evenwaardige stand was als die van Danneels.
[55] Van de 24 keren dat de Geheime Raad tussen 1758 en 1768 tussenkwam ging het niet minder dan 14 keer om een klacht tegen de officialiteit van Gent: J.L. MOREAU, La guerre matrimoniale…, p.227.
[56]
Op 20 mei 1763 verklaarde de regering dat de schepenen van Ghedeele hiervoor bevoegd waren, maar na een opmerking
hierover van deze schepenen dat zij voor dergelijke beslissingen normaal niet
bevoegd waren, wees zij hiervoor op 25 augustus 1763 de schepenen van de Keure
als bevoegde instantie aan.
[57] Placcaertboecken van Vlaenderen, 5, Brussel, 1763, p. 1212.
[58] Volgens het kerkelijke recht was een huwelijk dat rechtsgeldig was afgesloten en geslachtelijk was voltrokken, onverbreekbaar.
[59] In het dossier steekt alleen een brief waarin raadsheer Rooman zich bij de regering verdedigde tegen de aantijging dat hij het geheim van de beraadslaging zou hebben geschonden
[60] Hij komt niet voor in het register met criminele examens uit de periode 17 april 1764 tot 21 mei 1767 (Gent, Rijksarchief, Raad van Vlaanderen, 8583) en ook niet in het register met de criminele sententies van 24 september 1723 tot 2 april 1794 (Ibidem, 8596).
[61]
Zie voetnoot 6
[62] Ook in het land van Luik was dit het
geval: M. Yans, ‘Textes liégois relatifs au rapt et au consentement paternel
(Fin du XVIIIieme siècle)’, in: Annuaire
d’histoire liégoise, 14 (1948-1952), 23-49.